Mijnheer de voorzitter, het is mij een eer en genoegen in uw commissie te mogen antwoorden op vragen. Dat neemt natuurlijk niet weg dat ik hoop dat er snel een nieuwe regering is.
Uw eerste vraag, mijnheer Ravyts, ging over de belangrijkste krachtlijnen. De belangrijkste boodschap van het rapport is dat aquacultuur in de Belgische offshorewindparken zeker haalbaar is. Het rapport biedt immers een overzicht van aquacultuurtechnieken en potentiële soorten, met bijzondere aandacht voor prijs, beschermingsstatus, inheems karakter en ecologische waarde.
Voor de ontwikkeling van een innovatieve offshoreaquacultuursector is het daarentegen wel cruciaal om aquacultuur van bij het begin in de tender voor offshorewindparken op te nemen. Op die manier wordt codesign in de ontwerpfase mogelijk en dat bevordert aquacultuur op locaties verder van de kust. Het vermijdt ook administratieve rompslomp en verhoogt de kostenefficiëntie door meervoudig ruimtegebruik.
De kaart waarnaar u vraagt, is beschikbaar. Mijnheer de voorzitter, ik kan die laten bezorgen aan de heer Ravyts, maar ook aan het commissiesecretariaat om ze zo verder te verspreiden onder de leden.
Uw tweede vraag ging over hoe aquacultuur wordt meegenomen bij de invulling van de drie loten van de Prinses Elisabethzone (PEZ). De ontwikkeling van aquacultuur is niet opgenomen als tendercriterium voor de Prinses Elisabethzone. De tender wordt voor 90 % toegekend op basis van de prijs en voor 10 % op basis van burgerparticipatie. Aquacultuur en passieve visserij zijn volgens het ontwerp van marien ruimtelijk plan 2026-2034 wel toegelaten binnen de Noordhinder Noord- en Noordhinder Zuidzone van de PEZ en dit zonder toestemming van de concessiehouder van het windpark. Binnen de Fairybankzone is niet meer in die mogelijkheid voorzien, om de milieudruk binnen de Natura 2000-zone, de Vlaamse Banken genaamd, niet nog meer te verhogen.
Hoewel overleg tussen de concessiehouder van het windpark en de uitbaters van een aquacultuurinstallatie noodzakelijk is om beide veilig op elkaar af te stemmen, zal de uiteindelijke beslissing over de compatibiliteit van beide activiteiten bij de overheid liggen.
Wat uw derde vraag betreft, worden er op voorhand geen specifieke milieuvergunningscriteria vastgelegd voor aquacultuurprojecten. Uiteindelijk zal dat gebeuren in de milieuvergunning zelf die wordt opgesteld op basis van een milieueffectenrapport en de daarop volgende milieueffectenbeoordeling.
In uw vierde vraag peilt u ernaar de manier waarop aquacultuur aan bod zal komen in het marien ruimtelijk plan (MRP). Zoals reeds in de langetermijnvisie 2050 voor onze Noordzee is vastgelegd, is het meervoudig ruimtegebruik een van de uitgangspunten van het huidige en toekomstige MRP. De mogelijkheid om aquacultuur te ontwikkelen, wordt behouden in de oostelijke offshorezone in een deel van de Prinses Elisabethzone en in zones voor commerciële en industriële activiteiten die in het toekomstige MRP overal kunnen worden toegelaten, tenzij op plaatsen waar dat expliciet wordt verboden.
Tot slot, wat uw vijfde vraag betreft, is de duurzaamheid cruciaal voor aquacultuur in de Belgische Noordzee. In natuurgebieden is aquacultuur op korte termijn ongewenst, op lange termijn kan het overwogen worden, maar dan met inheemse soorten en wanneer het gebied is hersteld, zoals ik al aanvankelijk aangaf. Natuurherstel kan gestimuleerd worden met maatregelen die een populatie ondersteunen. Zo kan door een intensieve kweek van bijvoorbeeld platte oesters een rif worden gevormd.
De erosiebeschermingslaag rond windturbines leent zich er ook perfect toe om de stenen in te zaaien met oesterbroed. Wanneer die laag vervolgens nog complexer wordt gemaakt, verhoogt dat ook nog de biodiversiteit in het algemeen. De kans is groot dat daardoor het voedselaanbod voor bepaalde soorten, waaronder commercieel interessante soorten zoals kreeft, zeebaars en kabeljauw, kan toenemen.