Mevrouw de voorzitster, het zijn veel vragen en belangrijke vragen. Ik heb behoorlijk uitgebreide antwoorden. Ik zou dus willen voorstellen dat dat misschien mijn laatste vraag- en antwoordsessie is. Ik heb hier in totaal meer dan twintig vragen, maar gelukkig zijn mevrouw Eggermont en mevrouw De Knop er niet. Dat reduceert een en ander een beetje, maar het is toch veel.
Op de algemene vraag hoe ik reageer op het rapport van het Rekenhof zijn wel wat nuances aan te brengen. Er is, ten eerste, natuurlijk de arbeidsmarktcontext. In Vlaanderen, Wallonië en Brussel is er een tekort aan verpleegkundigen. Uit de spanningsindicatoren van de VDAB in Vlaanderen voor verpleegkundigen en hoofdverpleegkundigen blijkt dat ze respectievelijk op 0,44 en 0,14 staan. Dat betekent dat er voor honderd vacatures maar 44 kandidaten zijn voor verpleegkundigen en 14 voor hoofdverpleegkundigen. Dus zelfs als het geld er is, zijn ze niet te vinden. Dat betekent dus dat, realistisch gesproken, niet kan worden verwacht dat het zorgpersoneelfonds as such dat tekort wegwerkt.
Zelfs binnen die heel moeilijke context van schaarste aan aanbod is bij 62 % van de ziekenhuizen het aantal verpleegkundigen echter toch gestegen tussen 2018 en 2022. Dat is op zich veeleer positief en verdient nuancering. De doelstelling van het zorgpersoneelfonds is echter ook nooit uitsluitend gericht op het aanwerven van verpleegkundigen, hoewel verpleegkundigen uiteraard een heel belangrijke actor en misschien zelfs de cruciale actor in de gezondheidszorg zijn. De doelstelling van het zorgpersoneelfonds gaat ruimer en vertrekt van de ambitie om meer handen aan het bed van de patiënt te krijgen.
Het aantal voltijdsequivalenten voor andere categorieën van zorgpersoneel dan verpleegkundigen, in het bijzonder zorgkundigen en paramedisch personeel, is veel sterker gestegen. In 87 % van de ziekenhuizen is bijvoorbeeld meer paramedisch personeel aangeworven en in 71 % van de ziekenhuizen is het aantal zorgkundigen toegenomen.
Ook kan met de fondsen van het zorgpersoneelsfonds ondersteunend personeel worden aangeworven, dat administratieve, logistieke en andere taken uit het takenpakket van de verpleegkundigen neemt en zo meer zorgtijd mogelijk maakt.
Wat betreft de evaluatie van het zorgpersoneelsfonds voorziet de wet niet in andere evaluaties dan die van 2019, 2020 en 2021. Een nieuwe evaluatie kan weliswaar nuttige inzichten opleveren, maar het is belangrijk om daarbij rekening te houden met de beschikbare gegevens, de reeds lopende analyses, zoals die van BeWellPro –ik kom daar dadelijk nog op terug – en de nodige tijd om effecten correct te kunnen meten. De mogelijkheid en het geschikte tijdspad voor een dergelijke evaluatie zullen in dat kader moeten worden bekeken.
De volgende vraag was of we zicht hebben op de opvolging. Wat betreft de actuele tekorten in het aantal verpleegkundigen is het praktijkregister momenteel reeds operationeel en wordt dat ook voortdurend verfijnd. Een van de doelstellingen van dit register is om de beroepsactiviteit en de geografische spreiding van zorgverleners, waaronder in het bijzonder verpleegkundigen, beter en actueler te kunnen opvolgen. De gegevens van dit praktijkregister zullen in 2026 worden geanalyseerd en, als alles goed gaat, aan het einde van dit jaar online worden gepubliceerd via een dashboard. De verdere uitbreiding zal nadien stapsgewijs gebeuren in functie van datakwaliteit en beleidsnoden.
Wat betreft de toekomstige noden voor verpleegkundigen werden in april 2024 de meest recente prognoseresultaten gepubliceerd. Deze prognoses voor het jaar 2046 streven naar een optimaal aanbod van omkadering in alle sectoren en bepalen hoeveel verpleegkundigen nodig zullen zijn om dit voor elke sector te bereiken. De volgende update van deze scenario’s is gepland in het operationeel plan van de Planningscommissie in 2027.
Dan kom ik tot de vraag hoe we deze situatie kunnen verbeteren en het aantal actieve verpleegkundigen kunnen verhogen. Om te beginnen is het belangrijk dat in de voorbije legislatuur een brede hervorming van het verpleegkundig beroep is opgestart. Dit ging onder meer over het volgende.
Ten eerste is er de invoering van twee nieuwe functies: de basisverpleegkundige en de verpleegkundige-specialist, om de loopbaanmogelijkheden uit te breiden en het beroep aantrekkelijker te maken.
Daarnaast gaat het over de herziening van de technische verstrekkingen en de toevertrouwde handelingen, zoals die zijn vastgelegd in een koninklijk besluit van 1990, evenals over een actualisering van de definitie van het verpleegkundig beroep zelf. Dat hebben we gedaan met de herschrijving van artikel 46 van de gecoördineerde wet van 10 mei 2015.
Ten derde ging het over de implementatie van wetgeving inzake wat we de bekwame helper en de activiteiten van het dagelijks leven noemen. Daardoor ontstaan meer delegatiemogelijkheden van handelingen, met delegatie door verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg aan mensen die geen dergelijk beroepsprofiel hebben, maar die wel een opleiding krijgen en een duidelijk omschreven verantwoordelijkheid dragen.
Ten slotte is er nog werk dat we zullen verrichten. We zullen uitvoeringsbesluiten nemen om het idee van flexibele samenwerking in een gestructureerd zorgteam concreet te maken. We zullen ook een hervorming doorvoeren van de specialisatietitels van verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg. Dat betekent het beroep aantrekkelijker en interessanter maken, met meer doorstroommogelijkheden, meer autonomie en een betere taakverdeling. Dat vergroot op zich de capaciteit van de mensen die er zijn en moet het beroep ook aantrekkelijker maken om erin te stappen.
De derde vraag van mevrouw Gijbels is of we zicht hebben op de ziekenhuizen die het beter doen dan andere? Ik denk niet dat er een centrale dataverzameling bestaat over het personeelsverloop op ziekenhuisniveau. Ik denk wel dat het zeer nuttig is om goede praktijken tussen Belgische ziekenhuizen actief te delen. De ervaring van het project Magnet4Europe, dat in België de filosofie van de Magnet-ziekenhuizen heeft geïntroduceerd, die gebaseerd is op verpleegkundig leiderschap, samenwerking, competentieontwikkeling, onderzoek en het verbeteren van de resultaten voor patiënten, toont aan dat die elementen een rechtstreekse invloed hebben op het behoud van personeel. Ook het federale project Florerende Ziekenhuizen, dat tot doel had verschillen in personeelsverloop te vergelijken en effectieve benaderingen om aantrekkelijke werkomgevingen te creëren te verspreiden, heeft goede praktijken geïdentificeerd. Die initiatieven tonen aan dat een gestructureerde uitwisseling van voorbeeldpraktijken essentieel is om de professionele autonomie te versterken en het behoud van verpleegkundig personeel te verbeteren.
Natuurlijk moeten we ervoor opletten dat we niet zomaar een-op-eenverbanden leggen tussen personeelsverloop en personeelsbeleid in een ziekenhuis. Er kunnen andere elementen meespelen, zoals de ligging van het ziekenhuis. In een groter ziekenhuis kunnen er meer carrièremogelijkheden zijn, zonder dat daarom het personeelsbeleid op zich beter is enzovoort.
Mijnheer Van Lysebettens, u vraagt hoeveel mensen nu genieten van die uitzondering op de beperking in de werkloosheidsduur om een opleiding te kunnen volgen. Die vraag moet door mijn regionale collega's verantwoordelijk voor Onderwijs beantwoord worden.
Wat betreft uw vragen over het aantal mensen dat geniet van die mogelijke uitzondering in de werkloosheidsregeling of over de eventuele plannen van onze federale regering, moet ik u doorverwijzen naar minister Clarinval.
U vroeg hoe het zit met die nieuwe opleidingen voor praktijkondersteuners. Ik veronderstel dat u de praktijkassistenten bedoelt, een nieuw zorgprofiel dat we in de vorige legislatuur hebben geïntroduceerd in de WUG-wet van 2023. Dat was belangrijk, met name voor de huisartsen, maar dat kan ook nuttig zijn voor de woon-zorgcentra.
Op het Vlaamse niveau is men dat beginnen bekijken, maar tot mijn grote frustratie stel ik vast dat die opleiding tot praktijkassistent nog altijd niet is opgestart. Langs Vlaamse kant heeft dat te maken met de standstill voor nieuwe graduaatsopleidingen die werd ingesteld door de Vlaamse Hogescholenraad, volgens mij om de druk op te voeren in allerlei andere kwesties in de Vlaamse regering. Ik heb dat probleem al aangekaart bij mevrouw Demir. Wij moeten die opleiding tot praktijkassistent absoluut van de grond krijgen en ik hoop dat mevrouw Demir erin slaagt om die standstil op te heffen.
Het gunstregime voor gepensioneerden hebben we eerder al besproken. U weet dat we dat verlengd hebben en dat dat een groot effect heeft. Dat is heel positief. Het is goed dat mensen die graag nog een beetje doorwerken, dat met een voorspelbaar, eenvoudig en aantrekkelijk fiscaal statuut kunnen doen.
Mevrouw Gijbels, uit het KCE-rapport blijkt inderdaad dat de werkomgeving een belangrijke factor is voor de tevredenheid en het behoud van verpleegkundigen op de werkvloer in de intensieve zorgen. Het rapport concludeert namelijk dat een goede werkomgeving, met voldoende personeel, duidelijke taakverdeling, leiderschap en organisatorische ondersteuning, essentieel is om verpleegkundigen te behouden, maar ook de kwaliteit van de zorg te verbeteren. Dat ligt in lijn met de antwoorden die we van de verpleegkundigen hebben gekregen op de nationale enquête Be.well.pro. We kunnen dat volgens mij inderdaad veralgemenen naar andere verpleegkundigen.
Het aantal uitzendkrachten is de laatste jaren inderdaad sterk gestegen. Het is jammer genoeg een realiteit dat ziekenhuizen niet op kunnen tegen de voordelen die uitzendkrachten wordt aangeboden op financieel vlak, op het vlak van de keuze van arbeidstijd, op het vlak van autonomie, enzovoort. Het antwoord daarop is dubbel. We moeten echt inzetten op de aantrekkelijkheid van het beroep, in het bijzonder voor de verpleegkundigen, wat de retentie ten goede zal komen. Dat gaat over de waardering voor wat ze doen, maar ook over de werkomgeving, zoals zonet gezegd, en de jobinhoud. Ik denk dat we ook moeten proberen op te treden tegen het fenomeen waarbij zorgkundigen en verpleegkundigen zichzelf via een zelfstandig of een interimcontract opnieuw bij hun bestaande werkgever aanbieden, bijvoorbeeld via een niet-afwervingsbeding. We zullen eveneens de oneigenlijke inzet van project sourcing in de zorg bestrijden. Tegelijkertijd voeren we de defiscalisatie van de overuren in de zorg in.
U stelde ook een vraag over deeltijdse arbeid. De rapportering van het Zorgpersoneelsfonds bevraagt de ziekenhuizen niet over de arbeidsduur. Ik heb helaas geen gegevens over de verhouding van voltijdse of deeltijdse equivalenten in het kader van het Zorgpersoneelsfonds.
Heeft men de verpleegkundigen zelf bevraagd? Ja, er is een belangrijke, nationale bevraging geweest bij de professionals in de gezondheids- en welzijnssector, waaronder een grote groep verpleegkundigen. Dat was de Be.well.pro-studie. Die resultaten zijn in december gepresenteerd op een conferentie, georganiseerd door Sciensano en de FOD Volksgezondheid. Dat heeft toch wel een helder beeld gegeven. Ik verwijs naar de resultaten van de studie.
Het komt erop neer dat de verpleegkundigen een betere werkorganisatie vragen, minder werkdruk, naast erkenning en waardering. Het leiderschap moet aandacht hebben voor het welzijn en voor de balans tussen werken en privéleven. Ook administratieve ontlasting, meer inspraak in het team en mogelijkheden voor aangepast of anders ingericht werk komen duidelijk naar voren als factoren die de verpleegkundige zouden helpen om het beroep langer en met meer voldoening uit te oefenen.
Wij vinden het heel belangrijk om die enquête gedaan te hebben. Wij bekijken die resultaten en we nemen die ook mee in het overleg ter voorbereiding van een komend sociaal akkoord.
Mevrouw Gijbels, u vroeg ook of wij een methode hebben om de effectiviteit en de impact van maatregelen te meten, een methode om echt causale verbanden te meten tussen individuele maatregelen en het aanbod van verpleegkundigen. Helaas, ik zou dat willen, maar we hebben dat eigenlijk niet. Ik denk dat de dynamiek van het beroep wordt beïnvloed door een hele reeks van factoren: door de arbeidsmarkt zelf, door de instroom uit de opleidingen en in de opleidingen, door afspraken die gemaakt zijn, door sectorale werkomstandigheden. We hebben eigenlijk niet echt een samenhangende, uniforme beleidsregistratie. Ik zou het willen, maar ik vrees dat we daarop niet echt een fijnmazig antwoord hebben.