Mevrouw Bury, het gaat om een lange lijst van heel erg brede vragen, waarvoor ik eigenlijk een hele beleidsnota op tafel zou moeten leggen. U zult begrijpen dat ik een en ander relatief kort en samenvattend zal doen teneinde binnen de spreektijd te blijven.
Op de eerste vraag zou ik willen antwoorden dat wij in de voorbije regeerperiode belangrijke initiatieven hebben genomen om de personeelsomkadering rond het bed in de ziekenhuizen te verbeteren, namelijk via het Zorgpersoneelsfonds. Wij hebben echter ook de aantrekkelijkheid van het zorgberoep verbeterd. Ik denk daarbij aan het sociaal akkoord, waarbij wij het IFIC zijn beginnen te implementeren, en aan maatregelen die in het IFIC zaten en die meer op de kwaliteit van de arbeidsvoorwaarden waren gericht. Ik denk bijkomend aan de invoering van een complement voor gespecialiseerde verpleegkundigen. Ik denk echter ook aan wat wij zijn gestart als een heel breed hervormingsverhaal rond de hervorming en herwaardering van het verpleegkundig beroep. Ik ga niet in detail, maar dat is, kort samengevat, een deel van het antwoord op uw eerste vraag.
Ik heb samen met de sociale partners van de gezondheidssector en in overleg met de beroepsorganisaties ook een toekomstagenda voor de zorgsector uitgewerkt, die gericht is op initiatieven die op middellange termijn de voorspelde nood aan zorgpersoneel moeten opvangen. U vindt daarover elders meer details.
Uw tweede vraag ging over administratieve lasten. Sta mij toe mij eerst te concentreren op wat wij federaal doen op het niveau van de ziekenhuizen. Wij zetten al tien jaar in op het verminderen van de administratie in de verschillende registraties die door onze federale FOD worden gevraagd.
In het kader van het eGezondheidsplan worden de projecten uitgewerkt. Wij werken er ook aan om informatie op een veel meer gestructureerde manier in de elektronische patiëntendossiers te krijgen, zodat de administratie vervolgens tot een minimum kan worden beperkt. Wij kijken in dat verband naar het Only Once-principe.
Ik wil echter wel opmerken dat, zelfs al wordt geprobeerd een en ander te rationaliseren en eenvoudiger te maken, een goed ingevuld elektronisch patiëntendossier noodzakelijk blijft voor de kwaliteit van de zorg. Ik begrijp natuurlijk dat door een verpleegkundige het registreren van de gegevens als een administratieve last wordt gezien. Dat is echter niet een last voor de overheid maar voor de zorg van de patiënt. Dat is dus een moeilijke evenwichtsoefening.
Het Zorgpersoneelsfonds heeft ook toegelaten bijkomend mensen aan te werven die het zorgpersoneel en ook ander personeel ondersteunen, zodat bijvoorbeeld verplegenden meer tijd kunnen besteden aan het daadwerkelijk verzorgen van patiënten en minder tijd moeten spenderen aan administratieve taken.
We hebben de voorbije regeerperiode ook gezocht naar andere hervormingen die meer ruimte creëren voor het inzetten van zorgondersteuners. Ik denk onder meer aan wat we hebben gedaan rond het concept Activiteiten van het dagelijks leven (ADL).
Wat betreft het verhaal van de digitalisering, we hebben een groep laten werken aan het concept Belgian Integrated Health Record (BIHR). Dat is een opvatting over hoe een medisch dossier er moet uitzien. Onze vraag daarbij was om het concept van medische dossiers zodanig uit te werken dat er heel tastbare voordelen zijn voor iedereen die bij de zorg is betrokken, onder wie de zorgverleners en natuurlijk ook de burgers.
Wat betreft uw derde vraag over de financiering van de ziekenhuizen en de woonzorgcentra, woonzorgcentra vallen niet onder mijn bevoegdheid, ziekenhuizen wel. Ik denk dat wij moeten hervormen in de financiering. Ik heb het daarover al gehad met uw collega Eggermont, maar het is ook hervormen en investeren. We hebben de voorbije jaren een heel sterke expansie van de ziekenhuisbudgetten mogelijk gemaakt. We zullen daarin verder moeten blijven investeren, maar de wijze waarop die financiering wordt verdeeld over en toekomt in de ziekenhuizen, zal heel grondig moet worden hervormd.
Wat betreft de samenwerking, mevrouw De Knop heeft nog een vraag over de netwerken en de samenwerkingsverbanden tussen ziekenhuizen, dus ik zal daar straks op terugkomen. Heel concreet en in het verlengde van wat ik daarnet zei over het elektronisch patiëntendossier, in het kader van de digitalisering van ons actieplan eGezondheid, van onze plannen rond health data , het gebruik onder meer van Belgian Meaningful Use Criteria (BMUC) en van de data capabilities en innovatieprojecten, zetten we heel sterk in op samenwerking en integratie tussen zorglijnen en het functioneren van multidisciplinaire equipes.
Dat betekent onder andere dat men systemen interoperabel moet maken en dat gestandaardiseerde structurering en codering van gezondheidsdata nodig zijn en er uitwisselingsmechanismen moeten worden voorzien.
Het ontwerp van samenwerkingsakkoord tussen eHealth en BelRAI, waarvoor al een advies van de GBA en de Raad van State is ontvangen, legt daarvoor de interfederale basis. Het is ook heel belangrijk dat we nu op Europees niveau een principieel akkoord hebben en er wetgeving komt rond de Europese ruimte voor gezondheidsdata. We maken zo vlot, goed en veilig gebruik van gezondheidsdata op Europees niveau mogelijk.
Uw vijfde vraag ging over preventie. Ik zal daar zeer kort op antwoorden. Ja, ik ben zelf steeds meer overtuigd. We moeten veel kordater en forser inzetten op preventie. Voeding, tabak, alcohol en gokken zijn allerlei zaken waaraan mensen verslaafd kunnen raken. Ze kunnen zich ook een zeer ongezonde levensstijl eigen maken. Indien men daarop inwerkt, zal men in de toekomst veel minder druk hebben op de zorg. Daar ben ik diep van overtuigd.
U vroeg ook of ik de digitalisering van de zorg ondersteun en wil versnellen. Ja, ik wil dat. Ik verwijs ook naar de 15 data capabilities projects die geselecteerd zijn. De resultaten daarvan moeten voor eind 2025 beschikbaar zijn en we trekken daarvoor 20 miljoen euro uit. Ik verwijs eveneens naar de 26 projecten die geselecteerd zijn om innovatie in de ziekenhuizen te bevorderen. Daarvoor trekken we ook nog eens 20 miljoen euro uit. We ondersteunen die noodzakelijke digitalisering en innovatie dus ook daadwerkelijk met budgettaire middelen.
Ik zal nu antwoorden op uw zevende vraag over burn-out. Ik heb daarnet al aangegeven dat het verbeteren van werkomstandigheden en het verminderen van werkdruk ter harte worden genomen via het Zorgpersoneelsfonds en de hervorming van het verpleegkundig beroep, maar ook door de visie die we ontwikkelen rond digitalisering. Daarnaast hebben we een initiatief genomen om burn-out, met name van personeel in de ziekenhuissector, preventiever aan te pakken. We willen er namelijk voor zorgen dat burn-out snel wordt opgepikt en niet ernstiger wordt. Dat is een interessant project van Fedris.
Wat interims betreft, wij moeten er gewoon voor zorgen dat ziekenhuizen op een soepele manier kunnen omgaan met het zorgpersoneel. Dat vereist hervormingen op het vlak van taakdifferentiatie, taakverschuiving en samenwerking binnen het zorgpersoneel. Dat is dan ook precies de hervormingsagenda van het verpleegkundig beroep waarnaar ik verwees.
U stelde opnieuw vragen over bureaucratie en registraties. Daar heb ik eigenlijk al op geantwoord.
U stelde ook een vraag over kleine zorginstellingen. Ik meen dat wij vooral moeten nadenken over samenwerking tussen de instellingen. De vraag is dus of samenwerking tussen de instellingen ook de leefbaarheid van kleine instellingen kan verhogen. Dat zou een van de doelstellingen moeten zijn. Ziekenhuizen moeten anderzijds hoe dan ook wel een minimale schaal hebben om efficiënt en kwaliteitsvol te kunnen werken.
Ziedaar in vogelvlucht mijn antwoorden op de vele vragen.