Commissie sociale zaken, werk en pensioenen
BronAlles over deze commissievergadering.
Mondelinge vragen
De vragen die gesteld werden tijdens deze vergadering.
-
Vraag: De instroom bij de OCMW's na de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd (Q56013718C)
Vraag: De impact van de beperking van werkloosheidsuitkeringen in de tijd op de instroom bij de OCMW's (Q56013728C)
Vraag: De onvoorziene hoge uitstroom van werklozen naar het leefloon (Q56014820C)
Vraag: De impact v.h. verlies van de werkloosheidsuitkering in Brussel en de grote omslag naar het leefloon (Q56015379C)
Vraag: De explosieve stijging van de werkdruk bij de OCMW's in Vlaanderen (Q56015789C)
Vraag: De discrepantie tussen de gewesten en de toegenomen druk op de Waalse OCMW's (Q56015791C)
Vraag: De nieuwe noodkreet van de drie OCMW-federaties (Q56015795C)
Vraag: De verborgen kosten van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's (Q56015807C)
Vraag: De toenemende druk op de OCMW’s door de hogere instroom van leefloonaanvragers (Q56015863C)
Vraag: De oproep van de OCMW-federaties in het licht van de toenemende werkdruk (Q56015983C)
Vraag: De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op de OCMW’s (Q56015999C)
Vraag: De kritieke situatie bij het OCMW van Bergen (Q56016317C)
Vraag: De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's en de eerste cijfers van het Rekenhof (Q56016829C)
Vraag: Het 11de congres van de directeurs-generaal van de Waalse OCMW's (Q56016832C)
Vraag: De stijgende werkdruk en financiële druk bij de OCMW's (Q56017251C)
Vraag: De stijgende werkdruk en financiële druk bij onze OCMW's (Q56017306C)
Vraag: De impact van de beperking van werkloosheidsuitkeringen in de tijd op de werking van de OCMW's (Q56017308C)
Vraag: De niet-realiteitsgetrouwe cijfers van het departement over de werklozen die hun uitkering verliezen (Q56017315C)
gezondheid en welzijnDe instroom bij de OCMW's na de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd
De impact van de beperking van werkloosheidsuitkeringen in de tijd op de instroom bij de OCMW's
De onvoorziene hoge uitstroom van werklozen naar het leefloon
De impact v.h. verlies van de werkloosheidsuitkering in Brussel en de grote omslag naar het leefloon
De explosieve stijging van de werkdruk bij de OCMW's in Vlaanderen
De discrepantie tussen de gewesten en de toegenomen druk op de Waalse OCMW's
De nieuwe noodkreet van de drie OCMW-federaties
De verborgen kosten van de werkloosheidshervorming voor de OCMW's
De toenemende druk op de OCMW’s door de hogere instroom van leefloonaanvragers
De oproep van de OCMW-federaties in het licht van de toenemende werkdruk
De impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd op de OCMW’s
De kritieke situatie bij het OCMW van Bergen
De impact van de werkloosheidshervorming op de OCMW's en de eerste cijfers van het Rekenhof
Het 11de congres van de directeurs-generaal van de Waalse OCMW's
De stijgende werkdruk en financiële druk bij de OCMW's
De stijgende werkdruk en financiële druk bij onze OCMW's
De impact van de beperking van werkloosheidsuitkeringen in de tijd op de werking van de OCMW's
De niet-realiteitsgetrouwe cijfers van het departement over de werklozen die hun uitkering verliezen
Gevolgen van de beperking van werkloosheidsuitkeringen voor de OCMW's per gewest summaryExplanationGesteld door
N-VA Wouter Raskin
PVDA-PTB Sofie Merckx
VB Ellen Samyn
PS Caroline Désir
PS Marie Meunier
PS Marie Meunier
PS Marie Meunier
DéFI François De Smet
VB Ellen Samyn
Les Engagés Anne Pirson
VB Ellen Samyn
PS Marie Meunier
Les Engagés Anne Pirson
Les Engagés Anne Pirson
Vooruit Fatima Lamarti
Vooruit Fatima Lamarti
PVDA-PTB Robin Tonniau
Ecolo-Groen Sarah Schlitz
Beantwoord door
Nahima Lanjri
Nabil Boukili
Le président
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
Denis Ducarme
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
De hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (tijdsbeperking) leidt tot een massale instroom bij OCMW’s, met 30-60% van de uitgesloten werklozen (afhankelijk van regio) die een leefloon aanvragen – aanzienlijk meer dan de geraamde 33%. OCMW’s waarschuwen voor capaciteitsproblemen, extra kosten (tot miljoenen per gemeente) en administratieve overbelasting, terwijl slechts 1/3 van de uitgesloten werklozen werk vindt (volgens voorlopige ONEM-cijfers). Minister Van Bossuyt belooft open-end-financiering (300+ mln/jaar) en 100% compensatie voor 2026, maar kritiek blijft: gemeenten en OCMW’s eisen structurele 100%-vergoeding (ook na 2027) en vereenvoudiging, terwijl oppositie de hervorming als "ideologisch" en "onvoldoende onderbouwd" bestempelt, wijzend op te weinig vacatures en stijgende armoede.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag, die ik al geruime tijd geleden heb ingediend.
De federale regering besliste vorige jaar om de werkloosheidsuitkeringen te beperken in de tijd. Op 1 januari ging de eerste fase van de hervorming van start. Daarbij verloren werklozen die al 20 jaar of langer niet gewerkt hebben en schoolverlaters die al langer dan een jaar van een inschakelingsuitkering leven, hun uitkering. Het gaat om een groep van ruim 20.000 mensen.
Mijn vragen aan u:
Hoeveel van deze personen, die sinds 1 januari niet langer recht hebben op een werkloosheidsuitkering, heeft al een aanvraag ingediend bij een OCMW om een leefloon te ontvangen?
Hoeveel van hen bleken na een sociaal onderzoek ook effectief recht te hebben op een leefloon?
Met dank voor uw antwoord.
Sofie Merckx:
Monsieur le président, madame la ministre, ayant introduit ma question il y a déjà un petit temps, j’avais un peu de mal à la retrouver. Elle porte sur le suivi des personnes exclues des allocations de chômage, les recours aux CPAS et les charges sur les CPAS. En effet, une fois la décision prise, vous aviez dit que vous alliez suivre l'évolution du dossier.
À Charleroi, où j'habite, j'ai demandé des renseignements concernant le déroulement des exclusions. Selon la réponse que j’ai reçue hier, ce qui est constaté à Charleroi, c'est que 74 % des personnes exclues du chômage se sont retournées vers le CPAS. C'est quand même un très grand nombre: 74 % des exclus sont allées vers le CPAS.
Sur ces 74 %, tout le monde n’a pas reçu une réponse positive, mais je pense, madame la ministre, que si quelqu'un va au CPAS, c'est qu’il n'a pas trouvé d’emploi et qu’il est en détresse, financièrement dans le besoin.
D’autres aides ont été octroyées. Pas moins de 900 personnes se sont vu refuser l'octroi du RIS. C'est un premier problème à propos duquel je voudrais connaitre votre réaction.
La deuxième chose, c'est que pour la plupart des dossiers, pour le moment, ils sont effectivement remboursés à 100 %. Mais ce sera dégressif: seulement 90 % en 2027. Il s'agit quand même de 2 100 personnes à Charleroi à qui un RIS a été accordé à ce stade. Vont-elles trouver un emploi d’ici 2027? Si ce n'est pas le cas, elles seront toujours au CPAS.
Par ailleurs, 381 personnes ont aussi été exclues des allocations d'insertion, et 148 personnes de manière dite collatérale. En l'espèce, on s'aperçoit qu'il n'y a pas de subvention à 100 % du RIS. Cela retombe à 70 %. À Charleroi même, le manque à gagner pour 2026 est de 2,3 millions d'euros, et la charge supplémentaire pour 2027 atteindra 7,2 millions d'euros.
Madame la ministre, la question est claire. C'est vraiment un cri d'alarme des CPAS. Ils doivent aussi gérer toutes les demandes pour lesquelles il y a un refus. Cela génère aussi énormément de détresse et de difficultés pour les travailleurs du CPAS.
Ma question est: allez-vous compenser davantage, accorder davantage de moyens aux CPAS et, surtout, aux villes pour faire face à ces difficultés créées par l'exclusion des chômeurs?
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, de impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd laat zich steeds nadrukkelijker bij onze OCMW's voelen. Uit een artikel dat vandaag verscheen, leren we dat heel wat OCMW's waarschuwen dat ze stilaan de grens bereiken van wat zij organisatorisch nog aankunnen.
Volgende week, per 1 juli, zal de vierde golf langdurig werklozen zich aanbieden, boven op de eerdere instroom van ex-werklozen die sinds januari hun uitkering verloren. Lokale besturen geven aan dat zij de voorbije maanden extra personeel moesten aanwerven, interne reorganisaties doorvoeren en zelfs hun zomerplanning aanpassen om de toestroom op te vangen. Tegelijk horen we dat sociaal assistenten vandaag niet alleen meer dossiers behandelen, maar ook steeds meer tijd besteden aan complexe onderzoeken van dossiers die uiteindelijk niet eens tot een leefloon leiden.
Volgens cijfers in het artikel meldt ongeveer 47 % van de langdurig werklozen uit de derde golf zich bij het OCMW. Dat ligt aanzienlijk hoger dan de aanvankelijke inschatting waarmee rekening werd gehouden bij de voorbereiding van de hervorming. Bovendien blijkt dat een belangrijk deel van de aanvragen wordt geweigerd of dat aanvragers doorverwezen worden naar een andere sociale uitkering. Ook die dossiers vergen extra tijd, personeel en middelen van de OCMW's.
Mevrouw de minister, beschikt u over geactualiseerde cijfers over de doorstroom naar het OCMW van personen die hun werkloosheidsuitkering verloren? Hoeveel personen hebben zich inmiddels aangemeld? Hoeveel leeflonen werden effectief toegekend? Hoeveel dossiers werden geweigerd of doorverwezen naar andere socialezekerheidsstelsels?
De oorspronkelijke prognoses gingen uit van een aanzienlijk lagere instroom bij de OCMW's. Welke budgettaire impact heeft de hogere doorstroom op de federale uitgaven voor maatschappelijke integratie? Werden de oorspronkelijke ramingen inmiddels bijgesteld?
Verschillende OCMW's geven aan dat zij tijdens de zomermaanden op hun capaciteitsgrenzen botsen en waarschuwen dat sociaal onderzoek, huisbezoeken en activeringstrajecten noodgedwongen worden uitgesteld. Acht u het huidige personeelsbestand en de werkingsmiddelen voldoende om een kwalitatieve behandeling van alle dossiers te blijven garanderen?
Uit dezelfde cijfers blijkt dat een aanzienlijk deel van de aanvragers uiteindelijk geen leefloon ontvangt, omdat ze recht hebben op een uitkering, bijvoorbeeld een pensioen, of omdat hun gezinsinkomen te hoog blijkt. Hebt u initiatieven genomen om de screening te versnellen, zodat OCMW's niet onnodig belast worden met dossiers waarvoor zij uiteindelijk niet bevoegd blijken?
Ten slotte, de beperking van de werkloosheid in de tijd werd verdedigd als een activeringsmaatregel. Kunt u aangeven hoeveel van de personen die hun uitkering verloren, inmiddels opnieuw aan het werk zijn gegaan? Beschikt u over een eerste evaluatie van de effectiviteit van de hervorming op het vlak van duurzame tewerkstelling?
Mevrouw de minister, ik denk dat iedereen ervan overtuigd is dat werken moet lonen. Activering blijft belangrijk, maar wanneer bijna de helft van de betrokkenen bij het OCMW aanklopt, moeten we ook eerlijk de gevolgen voor onze lokale besturen tegen het licht durven te houden en nagaan of ze over voldoende middelen beschikken om hun opdracht kwaliteitsvol te kunnen blijven uitvoeren.
Caroline Désir:
Madame la ministre, la réforme du chômage produit des effets particulièrement lourds à Bruxelles. Selon l’Observatoire de la santé et du social, plus de 41 000 personnes seront exclues du chômage à la fin de ce semestre, soit 5 % de la population active bruxelloise. Ce taux est nettement supérieur à celui des autres régions. Surtout, les premiers retours des CPAS montrent une réalité plus préoccupante encore: entre 50 et 60 % des personnes exclues du chômage à Bruxelles se tournent vers un revenu d’intégration sociale (RIS), alors que les projections initiales de votre gouvernement tablaient plutôt sur un tiers. Cette proportion est nettement plus élevée qu’en Flandre et en Wallonie, d'où un déséquilibre majeur et une pression financière accrue sur les CPAS bruxellois.
Madame la ministre, je souhaitais vous poser deux séries de questions à ce sujet. Premièrement, disposez-vous désormais de données consolidées par région sur la proportion de personnes exclues du chômage qui se tournent vers un CPAS et obtiennent un revenu d’intégration sociale? Pouvez-vous confirmer les chiffres avancés par les CPAS bruxellois, à savoir un basculement vers le RIS de 50 à 60 % des personnes concernées? Deuxièmement, envisagez-vous des mesures de compensation financière supplémentaires? Les budgets compensatoires initiaux pourront-ils être revus à la hausse lors du prochain ajustement? Des simulations ont-elles déjà été réalisées dans cette perspective?
Je vous remercie.
François De Smet:
Madame la ministre, les trois fédérations de CPAS (francophone, néerlandophone et germanophone) ont adressé conjointement une lettre d’alerte au gouvernement. Elles constatent que la réforme fédérale des allocations de chômage génère un afflux de personnes sans revenus, qui se retrouvent à charge des CPAS sous forme de revenu d’intégration sociale (RIS). Dès lors, elles réclament une prise en charge intégrale par le niveau fédéral de ce surcoût, qu’elles jugent directement imputable à la réforme. La réponse du gouvernement, comme nous le savons, consiste à prévoir un budget supplémentaire partiel, que les trois fédérations estiment insuffisant. Vous reconnaissez vous-même, selon la presse, l’existence d’inquiétudes légitimes. À partir du 1 er janvier 2028, une réforme structurelle est envisagée: la subvention spécifique PIIS (projet individualisé d’intégration sociale) dépendra du nombre de projets conclus, avec un système de bonus et de malus pour les CPAS.
Madame la ministre, confirmez-vous que le gouvernement fédéral prévoit toujours d’allouer 234 millions d’euros par an en 2026 et 2027, conformément aux chiffres annoncés, afin de soutenir les CPAS dans le versement des nouvelles allocations et l’accompagnement des bénéficiaires? Confirmez-vous que les CPAS bénéficieront, pour l’essentiel, d’un remboursement du revenu d’intégration sociale, ainsi que d’une allocation spécifique couvrant les frais de personnel liés aux dossiers des personnes exclues du chômage? Des mesures transitoires seront-elles prises afin d’éviter que les CPAS ne soient contraints de financer sur fonds communaux une politique fédérale dont ils n’ont pas la compétence, si l’enveloppe dans son ensemble devait se révéler insuffisante, dans l’attente de la réforme structurelle prévue en 2028?
Anne Pirson:
Madame la ministre, les trois fédérations de CPAS de Belgique ont récemment alerté sur une pression croissante sur les services sociaux, dans le contexte de la mise en œuvre de la réforme du chômage. Cette pression s’explique notamment par un afflux de demandes de revenu d’intégration sociale (RIS), mais aussi par la nature de ce dispositif.
Contrairement au chômage, qui repose largement sur un droit automatique, le RIS est un droit résiduaire nécessitant un examen approfondi de la situation des demandeurs dans le cadre d'une enquête sociale – vérification des ressources, analyse de la composition du ménage, etc. À cela s’ajoute, depuis mars 2026, la prise en compte élargie des revenus au niveau du ménage, qui a nécessité une révision généralisée des dossiers existants. Sur le terrain, certains CPAS évoquent une surcharge administrative importante, avec parfois plus d’une centaine de dossiers par assistant social, ce qui pose des problèmes en termes de qualité du suivi.
Par ailleurs, les fédérations indiquent que les projections initiales, selon lesquelles un tiers des personnes exclues du chômage se tourneraient vers le RIS, ne correspondraient pas pleinement à la réalité observée – on sait que cela dépend également des régions –, d’où leur demande d’un monitoring vraiment plus fin et partagé.
Dans ce contexte, elles ont formulé plusieurs pistes, notamment un moratoire sur certaines évolutions, un allongement des délais pour les projets individualisés d’intégration sociale, une plus grande souplesse dans les enquêtes sociales ainsi qu’un renforcement du soutien financier et des moyens humains.
Madame la ministre, quelle est votre appréciation de ces pistes formulées par les fédérations des CPAS? Lesquelles pourraient, le cas échéant, être retenues ou adaptées afin de soutenir concrètement les services sociaux tout en garantissant l’équilibre et les objectifs de la réforme? Disposez-vous d’un état des lieux objectivé de l’impact de la réforme sur les CPAS? Pouvez-vous déjà préciser quand le monitoring des bénéficiaires exclus disposant désormais d'un RIS sera mis en place?
Je renvoie à mon texte déposé pour la deuxième question.
Madame la ministre,
Lors de la présentation de l’ajustement budgétaire 2026 en commission des Finances, la Cour des comptes a communiqué de premiers chiffres relatifs aux conséquences de la réforme limitant dans le temps les allocations de chômage.
Selon les données présentées, 55 247 personnes auraient perdu leur allocation de chômage ou d’insertion à la suite des deux premières vagues d’exclusion intervenues en 2026.
Parmi celles-ci, 17 606 bénéficieraient désormais d’un revenu d’intégration sociale, soit environ 31,9 % des personnes concernées.
La Cour des comptes estime ainsi que "l’hypothèse des trois tiers" retenue par le gouvernement semble, à ce stade, se confirmer : un tiers des personnes retrouveraient un emploi, un tiers se tourneraient vers le revenu d’intégration et un tiers ne solliciteraient plus l’aide sociale.
Ces premiers chiffres demeurent toutefois provisoires et doivent être analysés avec prudence. D’une part, la troisième vague d’exclusions n’est pas encore intervenue. D’autre part, des différences importantes apparaissent déjà entre les Régions : la proportion de personnes ayant basculé vers le RIS serait d’environ 23,5 % en Flandre, 27,5 % à Bruxelles et 37,2 % en Wallonie.
Dans le cadre des débats parlementaires ayant précédé l’adoption de la réforme, le Gouvernement s’était engagé à assurer un suivi étroit de ses conséquences, notamment pour les CPAS et les pouvoirs locaux confrontés à l’arrivée de nouveaux bénéficiaires du revenu d’intégration.
Dès lors, madame la ministre:
Quelle analyse faites-vous de ces premiers chiffres présentés par la Cour des comptes et considérez-vous que les premières observations confirment les hypothèses retenues par le Gouvernement lors de l'élaboration de la réforme? Pouvez-vous faire état à la Chambre de l'avancement du monitoring annoncé du nombre de personnes exclues du chômage ayant introduit une demande de revenu d’intégration auprès des CPAS et ce suivi permettra-t-il de disposer de données détaillées par commune, par ville et par province afin d’évaluer avec précision l’impact territorial de la réforme?
Je vous remercie pour vos réponses, madame la ministre.
Je passe maintenant à ma troisième question, qui est un peu différente.
Madame la ministre, à l’occasion 11 e congrès des directeurs généraux des CPAS wallons, plusieurs responsables de terrain ont exprimé leurs préoccupations face à l'accumulation des réformes qui affectent actuellement les CPAS. Parmi les éléments évoqués figurent notamment l'impact de la réforme du chômage, les tensions sur les effectifs, les contraintes budgétaires croissantes ainsi que les réformes institutionnelles envisagées dans certaines entités fédérées.
Les représentants des CPAS ont notamment souligné la hausse de la charge de travail observée dans plusieurs centres à la suite des premières vagues d'exclusion du chômage. Ils ont également insisté sur la nécessité d'une concertation étroite avec les acteurs de terrain afin d'assurer une mise en œuvre efficace des réformes et de préserver la qualité de l'accompagnement social offert aux bénéficiaires.
Ces préoccupations interviennent alors que les premiers chiffres disponibles semblent confirmer qu'une partie significative des personnes exclues du chômage se tournent effectivement vers les CPAS pour solliciter un revenu d'intégration sociale. Les prochains mois permettront de mieux mesurer les conséquences de la troisième vague d'exclusions ainsi que les effets structurels de la réforme.
Madame la ministre, considérez-vous que les mécanismes de compensation financière prévus par le gouvernement fédéral sont aujourd'hui suffisants pour permettre aux CPAS de faire face à l'augmentation du nombre de dossiers et de missions qui leur sont confiés? Un premier bilan peut-il déjà être dressé à cet égard?
Fatima Lamarti:
Mevrouw de minister, collega's, vanmorgen konden we in verschillende kranten lezen dat heel wat OCMW's zich op een bijzonder moeilijke zomer voorbereiden. Ook de VVSG waarschuwt voor een mogelijke nieuwe piek in de instroom vanaf 1 juli, de zogenaamde vierde golf, en wijst op een toenemende druk op de lokale sociale diensten. Ze signaleren meer dossiers, een stijgende administratieve last, complexe sociale onderzoeken en een personeelsplanning die door de zomervakantie extra kwetsbaar wordt.
Het OCMW van Gent plant deze legislatuur tot 5 miljoen euro extra per jaar om de basisdienstverlening te kunnen garanderen. Het Rekenhof waarschuwt bovendien dat de voorziene federale compensatie van 300 miljoen euro mogelijk onvoldoende zal zijn als de huidige instroomcijfers aanhouden.
Minister, de extra instroom was geen verrassing. U hebt begin dit jaar in financiële compensaties voorzien, maar de signalen die we vandaag krijgen, gaan niet alleen over geld, maar ook over werkbaarheid, administratie en capaciteit. Waarom zijn we op dit vlak minder ver geraakt?
Mevrouw de minister, hoe beoordeelt u de financiële impact op de OCMW's? Acht u de geplande compensatiemiddelen voldoende? Welke bijkomende initiatieven zult u nemen als daadwerkelijk blijkt dat de lokale besturen de kosten niet kunnen dragen?
U kondigde een werkgroep administratieve vereenvoudiging voor de OCMW's aan. Kunt u de stand van zaken van die werkgroep geven? Welke concrete vereenvoudigingsmaatregelen liggen al op tafel? Tegen wanneer mogen de OCMW’s daadwerkelijk administratieve ontlasting verwachten?
Alvast bedankt voor uw antwoorden.
Voorzitter:
Merci, madame Lamarti. Félicitations à Mme Lanjri qui, par cette chaleur, a couru pour nous rejoindre et participer au débat.
Robin Tonniau:
Mevrouw de minister, gaat u soms nog eens zwemmen in zee? Bij de huidige temperaturen is dat misschien wel aanlokkelijk. Wie echter zwemt in zee, komt al eens een golf tegen, een golf die op hem of haar afkomt. Eén golf is niet zo gevaarlijk. In feite moet hij of zij daar gewoon onder duiken, even volhouden, boven komen en opnieuw ademen.
Het wordt echter wel een probleem als er na die eerste golf direct een tweede golf komt. Hij of zij verliest kracht en kan niet meer zo diep duiken want dat water stuwt hem of haar terug. Als hij of zij nadien een derde golf in het gezicht krijgt, verlies hij of zij nog veel meer kracht, gaat hij of zij kopje-onder, krijgt zeewater binnen en komt in de problemen. Een vierde golf kan ervoor zorgen dat iemand verdrinkt.
Dat is wat vandaag gebeurt met de maatschappelijke werkers binnen de OCMW's in België. Zij verdrinken niet in zeewater, maar in dossiers en onder de werkdruk.
Sinds januari 2026 krijgen zij golf na golf over zich heen, namelijk golven van nieuwe leefloonaanvragen als gevolg van de federale beslissingen om de werkloosheid in de tijd te beperken. Er was een eerste golf, een tweede golf, een derde golf en nu, midden in de zomerperiode, midden in de vakantieperiode van de maatschappelijk werkers, stuurt u een vierde golf miserie op hen af.
Die maatschappelijk werkers verdrinken. Zij verdrinken in dossiers en in sociale onderzoeken, maar ook in uw nieuwe regeltjes. Het wrange is dat u op het strand staat te kijken hoe zij verdrinken, zonder hen te helpen en zonder hen te redden.
Welk probleem heeft de regering eigenlijk opgelost met de beperking van de werkloosheid in de tijd? Geen enkel probleem is opgelost met die maatregel want de werkzaamheidsgraad stijgt niet. Van de beloofde automatische doorstroming naar werk komt niets in huis. De regering heeft geen enkel probleem opgelost, maar er wel verschillende gecreëerd.
De OCMW's en de maatschappelijk werkers moeten extra leefloonaanvragen verwerken, extra personeel inzetten, maar ook meer kosten dragen. De federale regering compenseert de meerkosten voor de lokale besturen niet voldoende. Ondertussen zien wij dat sommige OCMW's zelfs andere dienstverlening stopzetten of afbouwen om de toevloed aan dossiers te kunnen verwerken.
In mijn stad Ronse werd de budgethulpverlening heel concreet stopgezet. Sinds december 2025 is er geen budgethulpverlening meer om personeel vrij te maken zodat de leefloonaanvragen kunnen worden verwerkt. Mag een OCMW zijn budgethulpverlening stopzetten om personeel vrij te maken voor het behandelen van leefloondossiers? Bent u op de hoogte van gelijkaardige praktijken binnen andere OCMW's?
Controleren uw diensten de OCMW's voldoende om na te gaan of zij die openbare dienstverlening nog volledig kunnen garanderen? Zo ja, wat zijn de resultaten daarvan?
Vreest u niet dat het verschuiven van maatschappelijke werkers naar leefloondossiers uiteindelijk leidt tot minder begeleiding, meer schulden, meer armoede, maar ook een moeilijkere re-integratie van kwetsbare mensen op lange termijn?
Hoe zult u, tot slot, de financiering van de lokale besturen aanpakken? Zult u die financiering verhogen, zoals zij vragen?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, la réforme du chômage de votre gouvernement crée un transfert massif de charges sociales vers le pouvoirs locaux. En raison de cette réforme, les CPAS se retrouvent aujourd’hui surchargés. Face à cette situation, votre ministère publie des chiffres indiquant que seuls un tiers des exclus du chômage auraient demandé un revenu d’intégration sociale (RIS), mais les fédérations de CPAS contestent cette lecture et pointent le fait que ces chiffres ne reflètent pas la réalité du terrain.
Premièrement, votre administration publie uniquement les chiffres des dossiers encodés. Or il existe un délai dans l’encodage des résultats. Pour janvier, il a fallu attendre la fin du mois de mars pour disposer de chiffres stabilisés. Les chiffres d’avril que vous nous présentez aujourd’hui sont donc incomplets et la moyenne s’en trouve abaissée.
Deuxièmement, votre monitoring ne porte que sur le RIS. Il ne comptabilise ni l’aide sociale complémentaire à charge des communes, ni les droits dérivés à la suite de l’exclusion d’un conjoint, ni les enquêtes sociales générées par chaque demande.
Les fédérations de CPAS estiment le report de charges réel entre 40 et 45 % en Wallonie et à 60 % dans les grandes villes, soit bien au-delà du tiers annoncé au départ.
Sur le plan financier, la compensation est dégressive pour les personnes exclues avant le 1 er juillet 2026. Le remboursement fédéral est de 100 % la première année, puis de 90 %, 80 % et 75 % les années suivantes, avec un doublement des frais de dossier pendant deux ans. Pour les personnes qui arriveront au CPAS à partir du 1 er juillet 2026, il n’existe plus de palier à 100 %. Le remboursement du revenu d’intégration est majoré de 15 %, soit 70 %, 80 % ou 85 % selon la taille de la commune.
Madame la ministre, confirmez-vous que votre monitoring ne porte que sur le RIS et que les chiffres d’avril ne sont pas stabilisés? Comptez-vous étendre ce monitoring à l’ensemble des flux – aide sociale complémentaire, droits dérivés et enquêtes sociales – afin de mesurer réellement le transfert de charges vers les CPAS et, plus largement, le transfert du fédéral vers les communes?
Enfin, à partir du 1 er juillet, la compensation passe d’un palier à 100 % à un remboursement plafonné, au moment même où la vague d’exclusions annoncée est trois fois plus importante que les précédentes. Comment justifiez-vous une compensation qui diminue alors que l’afflux augmente et que les compensations sont déjà jugées insuffisantes sur le terrain?
Nahima Lanjri:
Ik zou graag nog willen aansluiten bij de vragen over de impact van de beperking van de werkloosheidsuitkering op de OCMW's. De cijfers zijn misschien al aangehaald, maar ik denk dat we op basis daarvan toch al een paar conclusies kunnen trekken.
Vooreerst waren het voorlopige cijfers die gepubliceerd werden op de website van de POD Maatschappelijke Integratie. Uit die voorlopige cijfers blijkt dat ongeveer 31 % is doorgestroomd naar het OCMW. Als we verder kijken naar de cijfers van een studie van de KU Leuven, zien we dat van de eerste golf – de mensen die langdurig werkloos waren en dus in januari zijn uitgestroomd – 48 % is doorgestroomd naar een leefloon van het OCMW. Er is dus echt aandacht nodig voor dat verschil in profiel, wat ik in het verleden al heb gezegd. Het gaat om de moeilijkste doelgroepen, die het moeilijkst te activeren zijn. De VDAB is er nooit in geslaagd om hen te activeren. Daarvoor moet er aandacht zijn.
Ook voor de niet-toeleidbaren heb ik in het verleden aandacht gevraagd. Alleen al in Vlaanderen gaat het over een groep van 10.000 mensen. In de praktijk proberen zij vaak eerst aan te kloppen voor bijvoorbeeld een ziekte-uitkering of een uitkering voor personen met een handicap. Pas als dat niet lukt, vragen zij alsnog een leefloon aan. Dan bestaat het risico dat die mensen pas na 30 juni een leefloon aanvragen. Die datum van 30 juni is van belang, omdat de verhoogde financiering voor de OCMW's slechts 100 % bedraagt voor de aanvragen die tot het einde van de maand worden ingediend.
Mijn vragen zijn dan ook de volgende. Hebt u aandacht voor dat verschil in profiel, dus voor mensen die eerst elders zijn gaan aankloppen en pas daarna bij het OCMW terechtkomen, eventueel een of twee weken te laat? In dat geval wordt het OCMW afgestraft. Kan daar nog een bijsturing komen?
Daarnaast zien we dat de doelgroep die het bijzonder moeilijk heeft, namelijk mensen die zeer lang werkloos zijn geweest en die jarenlang ook door de VDAB, Actiris of de Forem niet geactiveerd zijn wegens een multiproblematiek, ook de niet-toeleidbaren genoemd. Wilt u daar nog extra op inzetten? Ik weet dat dat een gedeelde bevoegdheid is en vooral een bevoegdheid van de deelstaten. Gaat u daarover nog in overleg met de bevoegde ministers van de deelstaten, eventueel via een IMC, om die mensen effectief naar werk te kunnen activeren?
Voor het overige sluit ik mij aan bij de vragen van de collega's. De verhoogde werkdruk voor de maatschappelijk werkers verdient ook zeker onze aandacht.
Nabil Boukili:
Madame la ministre, le 6 mai, les trois fédérations de CPAS des trois régions du pays vous ont adressé une demande…
Le président:
Je dois rappeler le Règlement. Normalement, puisqu’il y a déjà des questions du PTB, je ne peux pas vous y joindre.
Nabil Boukili:
Ah bon? Ce n'est pas un droit individuel?
Voorzitter:
Non, non. Je suis donc obligé d’appliquer le Règlement. Je suis ravi de vous voir, mais ce n'est pas le sujet.
Nabil Boukili:
Je suis très content de venir poser ma question dans votre commission, monsieur Ducarme.
Voorzitter:
Exceptionnellement, je vais vous laisser poser votre question. La ministre n’y répondra pas, mais vous pourrez au moins exprimer votre point de vue. Cela apportera un peu de fraîcheur…
Mais je précise que, dorénavant, nous ne le ferons plus. C'est un rappel du Règlement. Soyez bref, monsieur Boukili.
Nabil Boukili:
Monsieur le président, je vous remercie d'accepter ma question.
Madame la ministre, comme je l’ai indiqué, le 6 mai, les trois fédérations de CPAS vous ont demandé un soutien supplémentaire afin de pouvoir continuer à garantir leurs services à juste titre. En effet, la réforme limitant dans le temps les allocations de chômage a entraîné, dans les villes et les communes, une forte augmentation du nombre de personnes qui se frappent à la porte des CPAS. Près de six mois après l’entrée en vigueur de cette réforme, les chiffres confirment une augmentation importante de la charge de travail et des contraintes financières. Un soutien financier supplémentaire s’impose. Les fédérations de CPAS réclament notamment une prise en charge à 100 % du revenu d’intégration sociale, une augmentation pour les frais de personnel, en particulier pour les groupes suivants: les personnes exclues du droit aux allocations d’insertion après un an, celles qui sont concernées par la vague de juillet et les personnes exclues introduisant leur demande tardivement.
La situation est très difficile dans tous les CPAS du pays et, surtout, dans les communes les plus pauvres. À Jette, les demandes ont augmenté de 40 % parmi les exclus du chômage, soit 10 % au-dessus des prévisions. À Molenbeek, commune déjà appauvrie, alors qu'un tiers de son budget est censé être payé par le fédéral, c'est elle-même qui doit assumer les dépenses liées au CPAS et à la police. On parle d'un montant de quelque 70 millions d’euros. De surcroît votre mesure impose de nouvelles augmentations. C'est ainsi qu'à Molenbeek, 65 % des exclus du chômage se tournent vers le CPAS, et non un tiers. Cela représente une augmentation supplémentaire d’environ 2,4 millions d’euros pour la commune. Pour compenser, celle-ci est contrainte de prendre des mesures drastiques.
Les communes les plus pauvres sont donc les plus durement touchées. Elles sont contraintes soit de licencier du personnel soit de vendre des bâtiments, c’est ‑ à ‑ dire de se s é parer de leurs “ bijoux de famille”. Nous arrivons ainsi à une situation extrêmement dramatique. Madame la ministre, que répondez-vous à ces fédérations de CPAS, mais aussi à ces communes aujourd’hui étranglées et asphyxiées, qui demandent un soutien financier supplémentaire?
Anneleen Van Bossuyt:
Goedemiddag allemaal. Er waren heel wat vragen over dit onderwerp, wat logisch is. Ik zal mijn antwoorden bundelen per thema.
Mijnheer Tonniau, u zei dat ik maar op het strand sta te kijken zonder iets te doen. Ik meen dat het tegendeel waar is. Wat ik gedaan heb, is met een heel team golfbrekers bouwen, om de gevolgen zoveel mogelijk op te vangen. Ik zal daar zo dadelijk verder op ingaan.
U zei ook dat we eigenlijk geen enkel probleem opgelost hebben. Als u en uw partij het normaal vinden dat mensen meer dan 20 jaar werkloos zijn terwijl ze perfect kunnen werken en bijdragen aan de samenleving, is het duidelijk dat we een andere maatschappijvisie hebben.
Dan de verschillende thema’s, met eerst iets over de cijfers. Heel wat mensen hebben vragen gesteld in verband met cijfers.
Er zijn verschillende vragen gesteld over hoeveel mensen nu uitgesloten zijn van een werkloosheidsuitkering. Het is minister Clarinval die dit van nabij opvolgt, maar om het overdrachtspercentage naar de OCMW’s te berekenen, gebruikt mijn administratie ook de data die aan minister Clarinval ter beschikking worden gesteld. De recentste beschikbare cijfers werden op 1 juni gepubliceerd op de website van mijn administratie, de POD MI.
Madame Schlitz, si vous ne croyez pas les chiffres qui sont publiés sur le site du SPP Intégration sociale, je ne peux pas faire plus que vous les citer. Ces chiffres sont basés sur les RIS payés par le fédéral.
Ik wil benadrukken dat mijn diensten alleen over gegevens beschikken nadat een terugbetaling door de POD Maatschappelijke Integratie heeft plaatsgevonden. In de periode tussen de steunaanvraag van de behoeftige bij het OCMW en de uiteindelijke aanvraag tot terugbetaling bij de POD MI door het OCMW van de door hem toegekende steun, zijn er dus geen gegevens beschikbaar. Daar gaat wel wat tijd over, zoals u ook zult begrijpen. Alle aanvragen moeten immers worden behandeld en geregistreerd volgens de geldende bepalingen. Het OCMW voert het sociaal onderzoek uit, neemt binnen 30 dagen een beslissing en laadt vervolgens, meestal eenmaal per maand, de nodige terugbetalingsaanvragen op naar de POD MI, die op haar beurt de gegevens verwerkt en de terugbetalingen uitvoert.
De gegevens waarover mijn diensten beschikken, hebben betrekking op de maanden januari tot en met april, dus op de eerste drie golven, namelijk 1 januari, 1 maart en 1 april. Ik benadruk graag dat de cijfers nog zeer voorlopig en ook partieel zijn.
De overdracht van de groep die op 1 januari de uitkering verloor, hebben we intussen nagenoeg volledig in beeld. Alles samen voor België bedraagt het overdrachtspercentage van de mensen die hun werkloosheids- of inschakelingsuitkering verloren, 30,8 %. Als we alleen de werkloosheidsuitkeringen bekijken, bedraagt dat percentage 30,4 %. Dat ligt dus onder de geraamde 33 % en ook ver onder de cijfers die ik enkele leden hier heb horen poneren. Nogmaals, het gaat om voorlopige en partiële cijfers.
De regionale verschillen zijn groot. In Brussel bedraagt het overdrachtspercentage, alleen voor de werkloosheidsuitkeringen, 28,1 %, in Vlaanderen 22,5 %, in Wallonië 36 % en in de Duitstalige Gemeenschap 46,4 %.
In die groep zitten ook mensen die meer dan 20 jaar werkloos zijn. Voor die groep is de afstand tot de arbeidsmarkt bijzonder groot. Voor de andere groepen, dan spreken we over de golven van 1 maart en 1 april, is de afstand tot de arbeidsmarkt steeds minder groot. De kans dat zij geactiveerd kunnen worden, stijgt dan. Dat werd trouwens ook bevestigd door een studie van de KU Leuven, waarnaar ook door mevrouw Lanjri werd verwezen. Die studie maakte voor het eerst een onderbouwde analyse van de inschattingen van de federale regering.
Voor het geheel van de uitstroom, waarmee ik de periode van 1 januari 2026 tot en met 31 juli 2027 bedoel, komt die studie uit op een overdracht van 34 % naar het OCMW.
We staan aan het begin van de hervorming. Heel wat mensen worden op dit eigenste moment begeleid, werken aan hun vaardigheden, volgen opleidingen en zo meer. Solliciteren kost echter tijd. Ook de doorstroming naar andere uitkeringen, zoals ziekte- of handicapuitkeringen, is vaak niet van vandaag op morgen geregeld. Die cijfers zullen met andere woorden nog evolueren.
Op basis van de voorlopige data kunnen we echter nog geen betrouwbare conclusies trekken over de profielen van de betrokken personen. Om diezelfde reden is het ook nog te vroeg om daaraan al budgettaire gevolgen te verbinden of om de budgetramingen nu al bij te stellen.
Ik verwacht pas tegen het einde van de zomer over stabielere cijfers voor de eerste drie golven te beschikken. Voor andere gedetailleerde cijfers die gevraagd werden, nodig ik u uit om die parlementaire vraag schriftelijk te stellen.
Wat de monitoring en de ondersteuning betreft, waren er heel wat vragen over de zware werkdruk voor de OCMW-medewerkers. Ik ben mij er terdege van bewust dat de verschillende noodzakelijke hervormingsprojecten die door de regering worden uitgevoerd, een aanzienlijke impact hebben op de werklast van de OCMW's. Ik heb regelmatig contact met de verschillende OCMW-federaties. Ik heb namelijk een taskforce opgericht waarin zowel de OCMW-federaties als de regionale entiteiten vertegenwoordigd zijn. Daarnaast heeft mijn kabinet maandelijks overleg met de OCMW-federaties. Eind april heb ik de vijf grote OCMW's op mijn kabinet ontvangen en morgenvoormiddag ontvang ik de federaties zelf op mijn kabinet.
C'est pourquoi nous avons pris une série de mesures concrètes au cours de l'année écoulée, avec pour objectif de donner aux CPAS les moyens de faire face aux défis auxquels ils sont confrontés.
Un mécanisme de compensation a été approuvé. Les coûts liés à l’afflux de bénéficiaires du revenu d’intégration ayant perdu leurs allocations de chômage au cours du premier semestre de cette année seront remboursés à 100 %. Après l'été, le taux de remboursement ordinaire sera majoré de 15 % pour ce groupe cible, et pendant deux ans, nous doublerons l'intervention dans les frais de personnel pour ces dossiers. Nous prévoyons également des incitants supplémentaires pour les CPAS qui parviennent à remettre les personnes à l'emploi.
Voor de jaren 2026 en 2027 werd telkens in 300 miljoen euro voorzien. Voor 2028 gaat het om 302,3 miljoen euro en voor 2029 om 342,6 miljoen euro. Het gaat hier echter om een open-endfinanciering, zoals ik hier en in de plenaire vergadering al meermaals heb gezegd. Het voorziene budget is dus geen plafond. Als het aantal aanvragen hoger uitvalt dan geraamd, dan zal de financiering overeenkomstig worden aangepast.
Nous assurons un suivi étroit des sorties du chômage au sein d'une task force qui se réunit régulièrement depuis près d'un an. Dans ce cadre, les fédérations de CPAS nous ont demandé de maintenir le financement renforcé également pour les bénéficiaires qui quittent temporairement le CPAS pour prendre un emploi, mais y reviennent ensuite. Nous avons entendu cette demande et la loi de compensation a été modifiée en ce sens lors de la séance plénière du 30 avril dernier.
Au sein de cette même task force, il a également été demandé de faire preuve de davantage de flexibilité dans l'organisation des visites à domicile dans le cadre de l'enquête sociale. Là aussi, j'ai répondu favorablement à cette demande. Il a été permis aux CPAS, sous certaines conditions, d'effectuer les visites à domicile après l'octroi du droit au revenu d'intégration. La visite à domicile doit toutefois avoir lieu dans le mois qui suit l'octroi de l'aide afin de vérifier les éléments légaux et sociaux. Cette tolérance est applicable durant toute l'année 2026.
Lors de la réunion de la task force le 28 avril, mon cabinet s'est formellement engagé à étaler dans le temps les réformes à venir et à prévoir les périodes transitoires nécessaires afin que les CPAS puissent s'y préparer dans de bonnes conditions.
Comme vous le savez, j'ai modifié peu après l'été dernier l'arrêté royal fixant les conditions de diplôme pour les assistants sociaux. Les régions sont désormais compétentes pour compléter la liste des diplômes admissibles, ce qui permettra d'élargir le recrutement.
En matière de simplification administrative, la problématique des avances constitue le premier chantier prioritaire. Les CPAS ne peuvent plus être le guichet de dernier recours pour toutes sortes de prestations qui ne sont pas payées à temps. Je travaille donc avec mes collègues ministres David Clarinval et Franck Vandenbroucke à un plan visant à simplifier ce système. Il n'est pas acceptable que des personnes doivent attendre des semaines, voire des mois, pour obtenir une réponse d'un organisme payeur alors que les CPAS ont l'obligation légale de statuer dans un délai d'un mois. Je maintiens une forte pression sur ce dossier afin d'aboutir le plus rapidement possible à des solutions concrètes.
Om de OCMW's bij de uitvoering van hun taak te ondersteunen, is via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid een gegevensstroom opgezet, de zogenaamde Unemployment Data Service, waarmee de rechtspositie van de betrokkenen bij de RVA kan worden geraadpleegd.
Tot slot, de hervormingen zijn noodzakelijk en belangrijk. Het doel ervan is de duurzaamheid van ons sociaal systeem op lange termijn te verzekeren. Tegelijk is het essentieel dat die hervormingen ook op het terrein uitvoerbaar zijn en dat de OCMW's zich daarop kunnen voorbereiden. Ik heb daarmee rekening gehouden, waarvan ik voorbeelden heb gegeven, en daarom zullen de volgende hervormingen, want er staan er nog heel wat op til, pas vanaf 2027 of later van toepassing zijn. Dat heb ik ook aan de betrokken partijen meegedeeld en met hen besproken.
Mevrouw Lanjri, u stelde nog een bijkomende vraag. Voor wie zich vanaf 1 juli aandient, is een verhoogde compensatie van 15 % voorzien, zoals ik daarnet ook zei. Het compensatiemechanisme houdt rekening met de golven en ook met de afstand tot de arbeidsmarkt. Het mag echter niet te complex worden en moet natuurlijk ook werkbaar blijven. De OCMW's hebben bij uitstek de knowhow en de ervaring om niet-toeleidbaren te begeleiden. We zijn realistisch genoeg om te weten dat een aantal mensen in het leefloon zullen blijven. Anderen zullen instromen in de ziekte-uitkering, erkend worden als persoon met een handicap of doorstromen naar het pensioen. Voor de leefloongerechtigden doen we er alles aan om ook voor hen een gepaste begeleiding te voorzien. Daarover heeft geen afzonderlijk overleg meer plaatsgevonden. Dat is ook niet nodig. Zoals u weet, zullen we geen nieuwe categorie creëren.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw gedetailleerde en erg uitgebreide antwoord. Dat mocht ook wel, er waren veel vragen.
U duidt op het belang van hervormingen als het beperken van de werkloosheid in de tijd en de berekeningsregels, een beetje denigrerend regeltjes genoemd door een collega. Ik wil op mijn beurt wijzen op het enorm brede draagvlak in de maatschappij voor die hervormingen, al wisten we en wist u zeer goed dat de OCMW’s daarvoor gecompenseerd zouden moeten worden. De gevolgen voor hun dagelijkse werking zijn immers pittig. Daar hebt u dan ook veel begrip voor getoond telkens opnieuw wanneer daar vragen over gesteld worden.
U hebt inderdaad in compensaties voorzien. Zowel financieel als op andere manieren hebt u geprobeerd tegemoet te komen aan de uitdaging. Maar het blijft wel een uitdaging, en ik heb u ook horen zeggen dat u zich daar bewust van bent.
Ik wil wel een andere klank laten horen, want sommige vragen waren erg negatief. Signalen vanuit het werkveld krijg ik namelijk ook. Ik hoor vanuit het werkveld, vanuit heel veel sociale diensten, dat ze de hervormingen van Van Bossuyt steunen, goedvinden, dat ze eigenlijk geen dag te vroeg komen. Staar u dus niet blind op enkele negatieve verhalen die u hier hoort. Het blijft weliswaar pittig voor de OCMW’s, maar toch bestaat ook daar draagvlak voor wat u doet.
Ik wil de collega’s oproepen, zoals ook de minister deed, om geen definitieve conclusies te trekken op basis van onvolledige cijfers. Meten is weten. Bekijken hoe we verder gaan met die compensaties, en op welke manier, is iets voor het najaar, wanneer alle cijfers bekend zullen zijn en we op basis van objectieve data de juiste beslissingen kunnen nemen.
Ik wil, net als de minister, diegenen die goede contacten hebben met de uitbetalingsinstellingen, zoals de vakbonden of de ziekenfondsen, aanzetten om een tandje bij te steken, want als we het fenomeen dat de OCMW’s die verworden zijn tot een soort voorportaal van de sociale zekerheid kunnen oplossen, zouden de sociale diensten heel wat meer ademruimte krijgen.
Mevrouw de minister, ik kijk uit naar het vervolg. Het laatste woord hierover is zeker niet gezegd.
Sofie Merckx:
Madame la ministre, j'entends votre volonté, ainsi que l'insistance de votre collègue, d'accélérer les orientations vers les régimes de maladie ou de handicap. Toutefois, un monitoring est indispensable car faire basculer une personne du chômage ou du CPAS vers l'invalidité ne résout pas grand-chose.
Plus fondamentalement, vous ne répondez pas aux sorties dans la presse des différentes fédérations de CPAS. L'Union des Villes et Communes de Wallonie a pourtant publié un communiqué sur le financement des grandes villes wallonnes. La problématique est la même dans plusieurs communes bruxelloises, où la proportion de bénéficiaires dépasse les 30 % et où le mécanisme de financement actuel s'avère insuffisant. Déjà confrontées à un sous-financement structurel, nos villes subissent aujourd'hui l’impact des exclusions du chômage. Rien que pour cette année, la facture s'élève à plus de 2 millions d'euros tant pour Charleroi que pour Molenbeek. C'est une charge que les villes ne pourront plus assumer l'année prochaine. C'est pourquoi elles demandent une compensation à 100 %.
Madame la ministre, est-ce vraiment aux communes de financer les mesures du fédéral? Cela dure depuis des années et, avec les exclusions du chômage, on assiste à un véritable étranglement financier des communes. C'est inacceptable. Nous reviendrons donc sur ce dossier. En attendant, la revendication des fédérations de CPAS est claire. Elles souhaitent une compensation à 100 % pour les allocations d'insertion, pour les personnes exclues à partir du mois de juillet ainsi que pour les demandes tardives de revenu auprès du CPAS. Ce taux de prise en charge doit rester à 100 % pour 2027, sans baisse pour les cas actuels.
Voorzitter: Wouter Raskin.
Président: Wouter Raskin.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, volgens de voorlopige cijfers van de POD MI zijn er zo’n 26.000 leefloners bij gekomen. Dat is een stijging met ongeveer 10 %. Ik blijf wel met de vraag zitten of men werklozen effectief naar de arbeidsmarkt activeert, dan wel gewoon hun RVA-uitkering verruilt voor het leefloon. België telt immers slechts 150.000 vacatures. Ik heb dat in het kader van de langdurig zieken ook aangehaald bij uw collega’s, minister Clarinval en minister Vandenbroucke. Langdurig zieken, leefloongerechtigden met arbeidspotentieel en werkzoekenden zijn samen met 800.000. Er zijn dus onvoldoende jobs beschikbaar. Daar botsen we op een struikelblok. Zelfs als iedereen morgen perfect inzetbaar zou zijn, wat uiteraard niet het geval is, ontbreken nog steeds ettelijke honderdduizenden arbeidsplaatsen. Daarnaast is er een mismatch tussen de profielen van personen die ondersteuning nodig hebben, en de beschikbare vacatures.
Voorts ben ik zeer blij dat u het probleem van het voorschotloket opneemt, mevrouw de minister, een thema waar ik gisteren nog een schriftelijke vraag over heb ingediend. Het kan inderdaad niet de bedoeling zijn dat OCMW's steeds meer als een soort voorschotloket moeten fungeren. We hebben daarover ook duidelijke signalen gekregen van de OCMW's.
Wat u zegt, klopt: OCMW's zijn verplicht om binnen 30 dagen te reageren, terwijl werkloosheids- en ziekte-uitkeringen vaak zeer lang op zich laten wachten. Het is dus goed dat u dat ook opneemt met uw collega, minister Vandenbroucke. De OCMW’s moeten niet de financiële gevolgen dragen om dan maanden, of soms zelfs een jaar te wachten om de uitgegeven voorschotten terug te vorderen. Ik ben dan ook heel blij dat u zich daar extra voor zult inzetten.
Er werd mij nog een zorgwekkend punt gesignaleerd. Terwijl OCMW’s alsmaar meer taken op zich moeten nemen met onder meer de activering van personen, zou er iets mislopen in de samenwerking met Actiris, Forem en de VDAB, waardoor OCMW's steeds meer van die taken opnemen. Waarvoor dienen de regionale arbeidsbemiddelingsdiensten dan? Het zou toch hun taak moeten zijn om zoveel mogelijk mensen naar werk te begeleiden? Als het OCMW vaststelt dat mensen kunnen werken, zouden die diensten het verdere traject moeten opnemen. We hebben heel wat signalen ontvangen dat OCMW's in de praktijk steeds meer als arbeidsbemiddelingsdienst moeten fungeren. Dat is voor ons een belangrijke bezorgdheid.
Ten slotte, in de statistieken van de voorbije 25 jaar zien wij dat het aantal leefloners alleen maar in stijgende lijn gaat. Dat is uiteraard niet uw verantwoordelijkheid. Uiteraard zijn wij tevreden dat u extra middelen vrijmaakt in het licht van de beperking van de werkloosheid in de tijd, maar we moeten ook aandachtig blijven voor de instroom van leefloners met andere profielen. Hoe kunnen we dus de toestroom beperken? Hoe kunnen wij beter activeren? Dat gebeurt liefst ook regionaal, want het activeringsbeleid is een regionale bevoegdheid. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat mensen duurzaam aan het werk gaan en dat het beleid ook effectief resultaten oplevert?
Ik heb begrepen dat het moeilijk is om de cijfers over het aantal geactiveerde leefloners dat na bijvoorbeeld vijf jaar nog aan het werk is, in te zamelen. Daar moet u toch mee aan de slag, want anders is uw beleid behept met het draaideureffect, waarbij leefloners leefloon bij het OCMW aanvragen, worden geactiveerd en nadien, omdat de re-integratie in de arbeidsmarkt niet lukt, terug moeten vallen op een leefloon. Ik zou die cijfers graag kennen.
Caroline Désir:
Madame la ministre, vous nous dites qu’il existe encore peu de chiffres consolidés et qu’il ne faut pas tirer de conclusions à partir de données qui ne sont pas définitives. Selon vous, il convient d’attendre l’automne.
Pourtant, sans même attendre le mois d’octobre, plusieurs constats s’imposent déjà. D’une part, le retour à l’emploi des personnes exclues du chômage est moins important que ce qu’avait escompté le gouvernement. D’autre part, la proportion de personnes exclues du chômage qui se tournent vers les CPAS est plus élevée que prévu.
Enfin, les conséquences pour nos CPAS sont, quant à elles, immédiates et bien réelles. Les finances de nos CPAS ainsi que, par ricochet, celles de nos communes sont fortement sous pression, ce qui cause des répercussions en cascade sur nos concitoyens, qui sont eux-mêmes déjà fortement mis à contribution par le gouvernement Arizona. Tout cela est donc fort compliqué à gérer sur le plan local.
Concernant la compensation financière – ce n'est pas la première fois que je vous interroge à ce sujet –, vous nous dites toujours la même chose, à savoir que le financement est open-end, que le budget prévu n'est pas plafonné et que le financement sera ajusté, si nécessaire. Nous avons évidemment envie de vous croire, mais lorsque nous constatons que le gouvernement doit encore fournir plusieurs milliards d’euros d’efforts budgétaires, nous avons de sérieux doutes quant à sa capacité à tenir cette promesse.
À l'automne, nous vous interrogerons sur des chiffres davantage consolidés. Vous venez néanmoins de renforcer mon inquiétude concernant l'équilibre de nos pouvoirs locaux.
François De Smet:
Madame la ministre, merci pour vos réponses. Moi aussi, je reviendrai vers vous à l’automne sur la base des chiffres consolidés.
Anne Pirson:
Madame la ministre, merci pour vos réponses. Je pense en effet qu’il ne faut pas négliger le signal envoyé par les CPAS. Personne ne conteste la surcharge de travail supplémentaire, justement parce que le RIS implique un accompagnement individualisé. J’entends vos mesures en matière d’assouplissement, notamment pour ce qui concerne les visites. Pour le moment, en tout cas, c’est la voie qu’il convient de suivre.
Il faut aussi souligner que le gouvernement a anticipé cette situation en prévoyant des moyens importants pour accompagner les CPAS, comme vous l’avez rappelé. À ce stade, les premiers chiffres semblent quand même confirmer les estimations qui avaient été avancées, notamment l’hypothèse que seule une partie se dirigerait vers les CPAS pour demander le RIS.
Pour nous, le monitoring sera essentiel, parce qu’il permettra vraiment de dépasser les perceptions que nous avons pour le moment et de disposer de données objectives sur l’impact de la réforme, tant sur le nombre de bénéficiaires que sur les CPAS, et donc sur les communes.
Fatima Lamarti:
Ik dank u voor uw antwoord, mevrouw de minister. Ik denk dat we het er allemaal over eens zijn dat onze OCMW's en maatschappelijk werkers vandaag cruciaal werk verrichten. Net daarom is het belangrijk om de signalen van het terrein ernstig te nemen. Sommige OCMW's geven momenteel aan dat ze dicht tegen hun capaciteitsgrens aan zitten. Ik hoop dat u hen zult blijven betrekken bij het verdere beleid en hun suggesties zult meenemen. Onze OCMW's en maatschappelijk werkers bewijzen elke dag hun maatschappelijke meerwaarde. Zij blijven mensen helpen en houden het sociale vangnet overeind. Dat gebeurt vandaag evenwel dankzij aanzienlijke extra inspanningen op lokaal niveau. Als we steeds meer taken bij de OCMW's leggen, dan moeten we hen ook de middelen, de mensen en de administratieve ruimte geven om die opdracht te vervullen.
Robin Tonniau:
Mevrouw de minister, u hebt gesproken over golven en golfbrekers, maar ik vind dat u de golven creëert. U bent niet de golfbreker. De golfbrekers zijn de maatschappelijk werkers die in het veld staan. Zij moeten die golven breken. U creëert ze. U verdraait de rollen. Wie heeft al die maatregelen ingevoerd? Wie heeft de beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen ingevoerd? U vraagt mij of ik het daar dan niet mee eens ben. Nee, ik ga daar niet mee akkoord. U spreekt over mensen die langer dan 20 jaar thuis zitten. Dat is golf 1. We hebben nog golf 2, golf 3 en golf 4, die deze zomer nog op ons afkomen, ook op de lokale bestuurders. We hebben hier allemaal gezegd dat lokale bestuurders het grote slachtoffer zijn van die federale besparingen.
Vandaag is het ook de Internationale Dag van de Openbare Diensten. De vakbonden komen vandaag op straat voor respect, respect voor het werk van de ambtenaren, maar ook voor hun loon. Ze verliezen loon door bijvoorbeeld de indexsprong. Ze komen op voor hun pensioen. Ze verliezen pensioenrechten door de pensioenmalus van minister Jambon. Ze komen op voor voldoende personeel. Dat is in deze context heel belangrijk. U hebt immers niet geantwoord op mijn vragen. Er zijn lokale bestuurders die besparen op budgethulpverlening en daar personeel weghalen om in te zetten op leefloonaanvragen. Mag dat? Gaat u daarmee akkoord? Wat zijn daar de gevolgen van? Als men mensen die aankloppen voor budgethulp niet meer kan helpen, dan creëert men miserie. Later komen die mensen misschien ook bij de leefloonaanvragen terecht.
Lokale bestuurders willen de bevolking echt wel helpen, maar ze moeten daarvoor de middelen hebben. Als ik in discussie ga met de schepen van het Sociaal Huis in Ronse, dan zegt zij dat ze niet anders kunnen dan besparen op het sociale beleid, omdat de federale overheid alle facturen in hun nek schuift. Als men de cijfers bekijkt, dan begrijp ik dat. U creëert dus de golven, mevrouw de minister. U bent geen golfbreker.
Sarah Schlitz:
Merci, madame la ministre, mais vous n’avez pas vraiment répondu à ma question. Je vous demandais pourquoi vos services publient des chiffres qui sont, en réalité, décalés dans le temps et qui ne permettent donc pas de rendre pleinement visible la situation. Nous y reviendrons avec des questions complémentaires.
Je pense toutefois qu’il est important d’être attentif à la réalité du terrain. Aujourd’hui, nous sommes confrontés à des situations radicalement différentes de ce qui avait été annoncé. À Seraing, par exemple, 60 % des personnes exclues lors de la première vague se sont tournées vers le CPAS. Lors de la deuxième vague, cette proportion a atteint 94 %. Ce sont des chiffres qui n’étaient absolument pas prévus au départ. Vous-même et votre collègue M. Clarinval nous expliquiez qu’il s’agirait d’environ un tiers des personnes concernées. Ce n’est manifestement pas la situation vécue dans les communes urbaines confrontées à de grandes difficultés.
Par ailleurs, la situation sur le terrain est très mauvaise en termes de disponibilité des emplois. Lorsque vous affirmiez à l’époque qu’il s’agissait d’une excellente mesure pour l’emploi, encore faudrait-il que des emplois soient disponibles. Or que constate-t-on aujourd’hui? Selon les chiffres du Forem, la Wallonie comptait 269 700 demandeurs d’emploi. Cela représente une hausse de 10 % par rapport à l’année dernière et de 20 % par rapport à il y a deux ans. Dans le même temps, le nombre d’offres d’emploi disponibles a diminué de 42 %. Nous sommes donc confrontés à une situation extrêmement difficile sur le terrain, marquée par une pénurie criante d’offres d’emploi. Cette situation est encore aggravée par les réformes mises en œuvre par votre gouvernement, notamment la généralisation des flexi-jobs et l’extension du travail étudiant.
Aujourd’hui, il existe un véritable problème d’offres d’emploi de qualité permettant à toutes ces personnes de s’insérer sur le marché du travail. Vous ne répondez pas à cette question. Quant à vos collègues des entités fédérées, leurs réformes ne semblent manifestement pas produire les résultats escomptés non plus. Nous avons dès lors des communes dont les finances sont étranglées par cette réforme et qui réduisent de facto les services à la population. En définitive, c’est l’ensemble de la population qui paie le prix de cette réforme idéologique qui vise, selon nous, à définancer le niveau fédéral au profit d’une forme de régionalisation cachée.
Nous commençons aujourd’hui à en voir les premiers effets. Dans les prochaines années, ce sera encore pire. Nous continuerons donc à suivre ce dossier.
Nahima Lanjri:
Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. Voor aanvragen vanaf juli wordt 15 % extra voor de tussenkomst voorzien, maar uiteindelijk blijft er wel nog een verschil bestaan. Een gemiddeld OCMW krijgt een terugbetaling van 55 % voor reguliere leefloners. Verhoogd wordt dat 70 %. Men mist dan wel de terugbetaling aan 100 %.
Iemand die in april zijn werkloosheidsuitkering heeft verloren maar door omstandigheden pas in juli of augustus een aanvraag indient, bijvoorbeeld omdat men eerst een uitkering bij een andere instantie heeft aangevraagd, zorgt ervoor dat die OCMW's een deel van de verhoogde tussenkomst mislopen. Voor dit jaar gaat het om een verschil van 30 % en voor volgend jaar nog om 20 %. Jaar na jaar verliezen zij daar dus op.
Ik hoop dat u dit met uw taskforce wilt evalueren en bekijkt of er nog veel mensen bij zijn die door omstandigheden te laat een aanvraag indienden, zodat er eventueel nog kan worden bijgestuurd.
Ik houd ook de vinger aan de pols bij de OCMW's. Gisteren hadden we nog een digitale vergadering met onze OCMW-voorzitters. Zij melden dat ze problemen zien. Zij ervaren een verhoogde werklast, maar ook een hogere financiële last. Veel mensen tekenen immers beroep aan bij de arbeidsrechtbank. Dat brengt opnieuw extra kosten mee voor de OCMW's. Dat zijn zaken die we moeten blijven opvolgen en eventueel bijsturen.
Voorzitter:
Dank u, mevrouw Lanjri. Blijkbaar had ik u het woord niet meer mogen geven, maar dat was dan de spreektijd van de heer Boukili, die inmiddels verdwenen is.
Denis Ducarme:
Madame la ministre, je vais d'abord m'inscrire complètement en faux face aux chiffres – je ne sais pas lesquels d'ailleurs – de Mme Désir et de Mme Schlitz. Vous avez parlé des chiffres communiqués par le ministre Clarinval. Ce ne sont pas les chiffres du ministre Clarinval, ce sont les chiffres de l'ONEM. Un premier rapport est sorti. Même s'il faut rester prudent, certains chiffres sont toutefois objectivés par l'ONEM. Que nous dit ce rapport? Il nous dit que lorsqu'on tient compte des personnes ayant quitté le chômage avant d'atteindre la date de fin de leurs droits, 33,2 % de l'ensemble des personnes sorties du régime de chômage en mars ont accédé à un emploi salarié. Il nous dit aussi que parmi les 8 886 personnes qui ont perdu leurs allocations d'insertion en janvier ou en raison de la fin de leurs droits, 25 % d'entre elles avaient retrouvé un emploi en février et 28 % d'entre elles en mars. Ce n'est pas un rapport définitif, c'est une première évaluation, mais ce sont des chiffres plutôt encourageants, à l'inverse de ce qui est dit par la gauche. Madame la ministre, quelque chose me dérange. Il y a une véritable instrumentalisation de la part de la gauche et particulièrement des villes menées par la gauche en Wallonie sur votre dossier. On indique dans la presse en Wallonie que vous ne feriez pas ce que vous avez indiqué en termes de compensation, de majoration, de doublement de traitement ou encore de majoration par rapport au retour à l'emploi. On dit que vous êtes une menteuse, madame la ministre. Moi, je ne peux pas accepter cela par rapport au travail que vous fournissez et par rapport au projet qui a été adopté. Je ne peux accepter que vous laissiez dire. Il est temps d'objectiver votre action par rapport au renforcement des CPAS en Wallonie. On ne les laisse pas seuls. Bien au contraire, puisqu'il y a même des majorations. On paie des RIS plus chers dans un certain nombre de cas au départ du fédéral. Donc, je vous demande vraiment de remettre les montres à l'heure et de dire la vérité par rapport au soutien du fédéral dans certaines communes. Voorzitter: Denis Ducarme. Président: Denis Ducarme.
-
Vraag: De nieuwe regels in verband met de cumulatie van leeflonen (Q56013770C)
Vraag: De nieuwe cumulregels voor samenwonenden en de zogenaamde billijkheidsredenen (Q56015200C)
Vraag: De verstrenging van de regels inzake cumulatie van leeflonen (Q56015482C)
Vraag: De impact van de gewijzigde leefloonregeling op de werking van de OCMW's (Q56016877C)
Vraag: De nieuwe regels voor de cumulatie met een leefloon (Q56017302C)
gezondheid en welzijnDe nieuwe regels in verband met de cumulatie van leeflonen
De nieuwe cumulregels voor samenwonenden en de zogenaamde billijkheidsredenen
De verstrenging van de regels inzake cumulatie van leeflonen
De impact van de gewijzigde leefloonregeling op de werking van de OCMW's
De nieuwe regels voor de cumulatie met een leefloon
Wijzigingen in de cumulatieregels en impact op leeflonen en OCMW's summaryExplanationGesteld door
N-VA Wouter Raskin
N-VA Wouter Raskin
VB Ellen Samyn
VB Ellen Samyn
Ecolo-Groen Jeroen Van Lysebettens
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
De discussie draait om de hervorming van leefloonregels (1 maart 2026), die misbruik door cumulatie binnen gezinnen moet indijken door inkomsten van samenwonende onderhoudsplichtigen mee te rekenen. Minister Van Bossuyt benadrukt dat de maatregel – ondanks kritiek op extra administratieve last voor OCMW’s – nodig is voor betaalbaarheid en solidariteit, met ruimte voor individuele billijkheidsuitzonderingen (geen structurele toepassing), onder toezicht van de POD-inspectie. Raskin (N-VA) en Samyn (Vlaams Belang) steunen de hervorming als "hoog tijd" tegen "schandalige cumulaties" (tot 7.000€/gezin), terwijl Van Lysebettens (Groen) waarschuwt voor onbedoelde hardheid (bv. eenoudergezinnen die honderden euro’s verliezen) en pleit voor structurele uitzonderingen om administratieve druk te verlichten – wat de minister afwijst. Een impactevaluatie volgt in 2027, met focus op fraudebestrijding versus sociale gevolgen.
Wouter Raskin:
Mijnheer de voorzitter, ik heb twee gelijkaardige vragen. Voor de eerste verwijs ik naar mijn ingediende schriftelijke neerslag, de tweede wil ik wel graag toelichten.
Mevrouw de minister, op 1 maart vatte de tweede fase aan van de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Werklozen die al langer dan acht jaar werkloos zijn, hebben sinds gisteren geen recht meer op een werkloosheidsuitkering. Naar schatting zal een deel van hen bij het OCMW gaan aankloppen voor een leefloon.
Ook op 1 maart werden de nieuwe federale regels van kracht die de onbegrensde cumulatie van leeflonen door samenwonenden moeten tegengaan.
De combinatie van deze nieuwe regels en de nieuwe instroom doet sommige OCMW's vrezen voor een sterke toename van de werklast. Duidelijke informatie en richtlijnen over de nieuwe regels zijn dan ook wenselijk.
Mijn vraag aan u:
Op welke manieren en via welke kanalen zullen de OCMW’s geïnformeerd worden over de nieuwe regels rond de cumul van leeflonen?
In mijn tweede vraag verwijs ik naar 1 maart, het moment waarop een aantal nieuwe regels in werking traden over het cumuleren van leefloon en andere inkomsten binnen hetzelfde huishouden. Voortaan zal het deel van de inkomsten van meerderjarige onderhoudsplichtigen, dat het bedrag van het leefloon, categorie samenwonende overstijgt, verplicht worden meegenomen bij de berekening van het leefloon. Ook de doelgroep van samenwonende onderhoudsplichtigen hebt u op 1 maart moment verruimd.
Voor OCMW's bestaat de mogelijkheid om alsnog af te wijken van die nieuwe regels, op basis van de zogenaamde billijkheidsredenen. Die billijkheidsredenen moeten wel expliciet worden gemotiveerd in het sociaal verslag, evenals de gehanteerde berekeningsmethode.
Het kan evenwel niet de bedoeling zijn dat OCMW's een beroep doen op die uitzondering om de nieuwe verplichte regels onderuit te halen. Dat principe wilde ik even duiden en daarom heb ik een aantal detailvragen ingediend. Ik zal de vergadering het voorlezen van die vragen besparen, maar ik kijk uit naar de antwoorden op de detailvragen, die mijn punt zouden moeten bevestigen, hopelijk.
Ellen Samyn:
Bij de start van deze regering verkondigde u dat er eindelijk werk zal worden gemaakt van de cumulatieschandalen bij het leefloon. Nettobedragen tot wel 7.000 euro per gezin komen vaker voor dan men denkt. Onder de door u voorgestelde hervorming, zullen echter nog steeds cumulaties tot maar liefst 4.668 euro mogelijk zijn. Bovendien wachten we nog steeds om het zogezegde centraal register van sociale voordelen om de echte cumulatieproblematiek en het misbruik in de sociale zekerheid in kaart te brengen. Daarbovenop bevestigde u recent nog dat er bij toekenning van het leefloon in de praktijk nagenoeg geen controle gebeurt op buitenlandse vermogens, wat de kans dat een aanzienlijk deel van het leefloon misbruik is enorm doet toenemen.
Hoeveel dossiers werden herzien na de invoering van deze verstrenging? Onderverdeel per gewest en per nationaliteit.
Wat is het gemiddelde in vermindering gebrachte bedrag bij deze herzieningen, en hoeveel werd er globaal bespaard met deze maatregel?
Hoeveel nieuwe leefloondossiers werden toegekend onder deze nieuwe regelgeving, wat is het gemiddelde bedrag voor deze dossiers en hoe verhoudt dit bedrag zich tot de bestaande leefloners?
Wordt er in ieder gewest gelijk toegezien op de handhaving en controle van deze regels, heeft u hiervoor samengezeten met de deelstatenministers?
In hoeveel gevallen werd er een uitzondering voor de nieuwe regels omwille van gezondheids- en billijkheidsredenen gevraagd? Graag onderverdeling per nationaliteit per gewest en naar nationaliteit.
Hoeveel dossiers moeten er in totaal worden herzien, en tot wanneer hebben de OCMW's de tijd deze herzieningen af te ronden?
Sinds 1 maart 2025 gelden nieuwe regels voor de beoordeling van het recht op maatschappelijke integratie. Daarbij moeten OCMW's voortaan rekening houden met een ruimere groep van samenwonende familieleden bij het onderzoek naar de bestaansmiddelen van een aanvrager.
Verschillende OCMW's en vertegenwoordigers van maatschappelijk werkers geven aan dat deze wijziging niet alleen gevolgen heeft voor bepaalde leefloondossiers, maar ook leidt tot een aanzienlijke uitbreiding van het sociaal onderzoek. Zij wijzen onder meer op de grotere administratieve werklast, de nood aan bijkomende gegevensverzameling en onduidelijkheid over de toepassing van de uitzonderingsmogelijkheden om billijkheidsredenen.
Daarnaast blijkt dat sommige OCMW's hun software en interne procedures nog niet volledig hebben kunnen aanpassen, waardoor berekeningen voorlopig manueel moeten gebeuren. Ook wordt gewezen op de mogelijke impact op de doorlooptijd van dossiers.
Heeft de POD Maatschappelijke Integratie reeds een evaluatie gemaakt van de impact van deze nieuwe regeling op de werking van de OCMW's?
Beschikt u over cijfers of ramingen omtrent het aantal dossiers dat door deze wijziging wordt getroffen?
Welke richtlijnen werden aan de OCMW's verstrekt met betrekking tot de toepassing van de uitzonderingsmogelijkheid om billijkheidsredenen af te wijken van de algemene regeling?
Werd onderzocht welke gevolgen deze maatregel heeft voor de administratieve werklast en de behandelingstermijnen binnen de OCMW's?
Zijn bijkomende ondersteuningsmaatregelen of middelen voorzien voor OCMW's die geconfronteerd worden met een verhoogde werklast ten gevolge van deze hervorming?
Is er overleg geweest met de VVSG en de vertegenwoordigers van de OCMW's over de praktische uitvoering van deze maatregel en welke knelpunten werden daarbij gesignaleerd?
Jeroen Van Lysebettens:
De omzendbrief van 16 januari 2026, die op 1 maart 2026 in werking trad, past de regels voor de beoordeling van bestaansmiddelen bij leefloonaanvragen aan. Hierbij worden nu ook de inkomsten van onderhoudsplichtige personen in het huishouden meegenomen. Deze maatregel had als doel misbruik door ‘profiteurs’ te voorkomen en werd gestaafd in deze commissie met een aantal frappante voorbeelden die meer dan 4000 euro cumuleerden, maar in de praktijk blijken vooral lagere leeflonen geimpacteerd en dat bv. ook kwetsbare eenoudergezinnen en gezinnen in precaire omstandigheden worden getroffen, die plotseling met honderden euro’s minder moeten rondkomen, op een al krap gezinsbudget.
Vandaar mijn volgende vragen:
U hebt zelf aangegeven dat gevallen van misbruik binnen gezinnen uitzonderlijk zijn, terwijl de impact op kwetsbare groepen groot is. Hoe beoordeelt u de sociale rechtvaardigheid van deze maatregel, gelet op de signalen dat gezinnen die afhankelijk zijn van leefloon nu in financiële nood komen? Overweegt u om uitzonderingen te maken voor eenoudergezinnen of andere kwetsbare groepen, of om de toepassing van deze regels te nuanceren?
De OCMW’s staan al onder zware druk door de stijgende instroom van leefloondossiers en de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen. Uw omzendbrief voegt hier een extra administratieve last aan toe, omdat sociaal werkers nu ingewikkeldere berekeningen moeten uitvoeren (bijv. inkomsten van onderhoudsplichtigen meenemen). Hoe waarborgt u dat OCMW’s voldoende middelen en tijd krijgen om deze nieuwe regels correct toe te passen, zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit van de dienstverlening? Overweegt u de administratieve last te beperken, en zo ja welke opties ziet u hiervoor?
Heeft u een evaluatiemechanisme voorzien om de impact van deze omzendbrief te meten, en zo ja, wanneer kunnen we de eerste resultaten verwachten?
Overweegt u om, in samenspraak met de sector (VVSG, Brulocalis, UVCW), aanpassingen door te voeren als blijkt dat de maatregel onbedoelde hardheid veroorzaakt of de administratieve last te zwaar is?
De vlaamse vereniging van maatschappelijk werkers vraagt in een open brief om de berekening van bestaansmiddelen te herbekijken zodat familiale onderhoudsplicht niet automatisch wordt gelijkgesteld met effectief beschikbare financiële draagkracht, maar enkel in rekening wordt gebracht voor zover die draagkracht daadwerkelijk en redelijkerwijs kan worden vastgesteld. Is dat iets dat u overweegt?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Raskin, mevrouw Samyn, mijnheer Van Lysebettens, ik dank u voor uw aandacht voor het dossier rond de beperking inzake het ongebreideld cumuleren van leeflonen op eenzelfde adres. Het is een broodnodige hervorming om misbruik van sociale uitkeringen binnen eenzelfde gezin te voorkomen. Die hervorming is inderdaad op 1 maart van kracht gegaan.
Het koninklijk besluit werd op 16 januari in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd en op diezelfde dag werd ook de omzendbrief gepubliceerd die de berekeningsregels van het KB omstandig uitlegt. Ik ben mij bewust van de impact die deze aanpassing aan de wetgeving heeft op de OCMW's en net daarom hebben we de OCMW's extra tijd gegeven om die maatregelen in hun berekeningssoftware te implementeren door de inwerkingtredingsdatum uit te stellen tot 1 maart, ook op vraag van de OCMW-federaties. Bovendien werd een overgangsbepaling voorzien voor bestaande leeflooncliënten, die ervoor zorgt dat de OCMW's alleen bij de herziening van het dossier de nieuwe regelgeving dienen toe te passen.
Verder heeft mijn administratie alle vragen van de OCMW's verzameld in een FAQ en in een toelichtende powerpointpresentatie en die gepubliceerd op haar website. Het is de bedoeling om die FAQ regelmatig aan te passen. Daarnaast worden ook maandelijks werkvergaderingen georganiseerd tussen mijn administratie en de OCMW-federaties. Die zijn bedoeld om de verschillende vragen met betrekking tot de implementatie in de praktijk te beantwoorden. Tijdens die werkvergaderingen werd de nieuwe cumulregeling uitvoerig besproken.
Wat betreft de billijkheidsredenen, er werd daarover gisteren nog een Echo uitgestuurd richting alle OCMW's om de juiste toepassing van die billijkheidsredenen nog eens heel goed te duiden. Die billijkheidsredenen kunnen inderdaad worden ingeroepen, maar het is natuurlijk niet de bedoeling om van de uitzonderingen de algemene regel te maken. Het OCMW kan om redenen van billijkheid besluiten om geen rekening te houden met de middelen van samenwonende onderhoudsplichtigen. Dat is een autonome uitzonderingsbeslissing van het OCMW. In dat geval moet het centrum voor het individueel dossier in kwestie in het sociaal verslag omstandig motiveren wat de specifieke billijkheidsredenen zijn en ook de wijze van berekening. Men moet dus in het verslag op een concrete en ook gedetailleerde wijze uiteenzetten welke de feitelijke en de juridische redenen zijn die de billijkheid onderbouwen. Er dient dus expliciet te worden aangetoond hoe de specifieke omstandigheden van het individuele dossier hebben geleid tot de genomen beslissing.
OCMW’s kunnen dus niet structureel billijkheidsredenen inroepen voor bepaalde categorieën van leefloongerechtigden. Zo kan het bijvoorbeeld niet dat er sowieso een afwijking is voor iedereen die studentenwerk verricht of voor alle alleenstaande ouders. De inspectie van de POD MI zal hier ook op toezien.
Structureel billijkheidsredenen toepassen zonder individuele motivering kan niet. De geest van de regelgeving houdt in dat de familiale solidariteit primeert op de solidariteit van de staat. De nieuwe regelgeving maakt het mogelijk om beter rekening te houden met de familiale omstandigheden, met andere woorden, het in beschouwing nemen van alle personen die een onderhoudsverplichting hebben ten aanzien van de aanvrager, de financiële draagkracht van de gezinnen beter te beoordelen, en dus het leefloon beter af te stemmen op de persoonlijke situatie van de aanvrager. Ik wil nogmaals benadrukken dat het structureel toepassen van billijkheidsredenen ingaat tegen de geest van deze regelgeving.
Mevrouw Samyn, wat de implementatie en de toepassing betreft, de wijziging van artikel 34 van het koninklijk besluit van 11 juli 2002 is op 1 maart in werking getreden. Het is vanaf die datum van toepassing op alle nieuwe dossiers waarbij het leefloon is toegekend vanaf 17 januari 2026. Omdat er tijd zit tussen de aanvraag en de toekenning is het niet mogelijk om nu al exact te weten hoeveel dossiers onder deze regeling vallen.
Wat de bestaande dossiers betreft, waarvoor het leefloon op 16 januari 2026 al was toegekend, de OCMW’s moeten die binnen het jaar, en dus uiterlijk op 15 januari van volgend jaar, herzien hebben, met dien verstande dat zodra er een nieuw element in het dossier is, bijvoorbeeld de aankomst van een nieuwe medebewoner of extra inkomsten, het dossier van alle leden van het huishouden herzien moet worden. Daaromtrent zijn nog geen cijfers beschikbaar, aangezien de regelgeving nog geen jaar in werking is.
Het OCMW past sinds 1 maart van dit jaar dus de berekening van het leefloon toe zoals bepaald wordt in het nieuwe artikel 34. Het principe is dat per volwassen aanvrager het bestaansminimumbedrag-samenwonende, 893,65 euro, gegarandeerd wordt, hetzij fictief via de regels voor het in aanmerking nemen van de inkomsten van samenwonenden, hetzij via de toekenning van een gedeeltelijk of volledig leefloon.
Minister Vandenbroucke en ikzelf hebben ons geëngageerd om een ex post impactanalyse uit te voeren een jaar na de inwerkingtreding van de maatregel. Dat zullen we zeker doen. We zullen een enquête afnemen bij de OCMW's, waarbij we hen zullen bevragen over de impact van de maatregelen. Er zal worden bevraagd hoeveel dossiers werden herzien, welke extra onderhoudsplichtigen in aanmerking werden genomen, enzovoort.
In de nieuwe regeling wordt de draagkracht van het gezin al vastgesteld. Dat maakt het namelijk mogelijk om beter rekening te houden met de familiale omstandigheden, dus met alle onderhoudsplichtigen, en zo een betere beoordeling te maken van de financiële draagkracht van de huishoudens.
Bijgevolg komen de OCMW's tot een leefloon dat beter is aangepast aan de persoonlijke situatie van de aanvrager, gelet op het feit dat, zoals ik daarnet zei, de familiale solidariteit altijd primeert op die van de staat. Dat kan inderdaad in sommige gevallen leiden tot een verlaging van het toegekende leefloon. Die verlaging is echter gerechtvaardigd doordat uit de berekening van de middelen blijkt dat er voldoende inkomsten in het huishouden aanwezig zijn.
Wouter Raskin:
Dank u, mevrouw de minister. Het hoeft natuurlijk niet te verbazen dat we het eens zijn, gelukkig maar. Na het aanhoren van uw antwoord bleek dat samenwonenden binnen hetzelfde gezin vroeger haast ongebreideld hun leefloon konden cumuleren. Dat leidde in sommige gevallen tot totale bedragen van vele duizenden euro's. Op die manier schieten we het doel waarvoor een leefloon dient natuurlijk helemaal voorbij. Bovendien is het ook, zoals u zei, nefast voor de betaalbaarheid van het systeem. Vandaag zal het plafond ervoor zorgen dat dit veel minder het geval zal zijn. Dat was hoog tijd, want het was compleet onuitlegbaar zoals het vroeger ging. Ik zei al dat het nefast was voor de betaalbaarheid, maar het ondermijnde natuurlijk ook het draagvlak voor de solidariteit bij degenen die de factuur daarvan moesten betalen. Veel mensen betalen die factuur met plezier en met de glimlach. De solidariteit mag en moet spelen, maar ze moet natuurlijk wel op een objectieve en normale manier kunnen verlopen.
Mevrouw de minister, ik gaf al aan dat het draagvlak opnieuw bijzonder groot is net zoals voor een aantal arbeidsmarkthervormingen. Ik geef het u op een briefje. Als wij de straat op gaan en Jan met de pet bevragen, dan ben ik ervan overtuigd en garandeer ik u dat u zult horen dat heel veel mensen het hoog tijd vinden dat u met die hervorming komt.
Het is ook heel duidelijk. Het gaat over een afweging in individuele dossiers die expliciet onderbouwd is in het unieke verslag van het sociaal onderzoek om te vermijden dat er structureel billijkheidsredenen zouden worden ingeroepen waar dat niet de bedoeling is, zonder kritiek te hebben op die gevallen waarin billijkheidsredenen wel op een regelmatige of rechtvaardige manier kunnen worden ingeroepen.
Het zal dus niet structureel kunnen gebeuren. Ik hoor u verklaren dat de inspectie van de POD Maatschappelijke Integratie dat zal controleren. U zult dat ook opvolgen in de tijd en in overleg met de OCMW's. Op die manier voorkomen wij dat de geest van de wet wordt uitgehold. Dat is inderdaad wat ik wou horen.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, ik dank u voor uw uitgebreide antwoord.
De hervorming is inderdaad broodnodig. Ze geeft trouwens uitvoering aan een principe waarvoor ook mijn fractie al jarenlang pleit, namelijk dat bij de toekenning van leeflonen beter rekening wordt gehouden met de reële financiële draagkracht binnen een gezin.
Ik was misschien enigszins te voortvarend of te vroeg om al naar resultaten te vragen. Ik noteer dat het gaat over nieuwe dossiers en bestaande dossiers en dat wij pakweg in februari of maart 2027 best opnieuw naar resultaten vragen. Ik hoop dat wij tegen dan zullen weten of de maatregel hopelijk en daadwerkelijk het beoogde effect heeft bereikt.
Over de uitzonderingen om billijkheidsredenen kreeg ik ook een positief antwoord van u. U volgt dat echt van nabij op. Ik ga daarmee helemaal akkoord. U had het erover dat het niet de bedoeling is dat de uitzondering de regel wordt. Dat lijkt mij ook correct. Anders belanden wij gewoon in hetzelfde verhaal.
Als ik het goed heb genoteerd, zullen OCMW's die meer billijkheidsredenen zouden inroepen, ook worden gecontroleerd. Er is immers in een inspectie voorzien. Daarmee ga ik helemaal akkoord. Uw antwoord heeft mij dus zeker tevredengesteld.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, ik dacht dat het de doelstelling van deze wetgeving was om de extreme fraudegevallen aan te pakken en de extreme bedragen van leeflonen te beperken. Daar kan ik het mee eens zijn. Ik vrees echter dat het principe om familiale solidariteit voorrang te geven op wettelijke solidariteit heel veel onbedoelde neveneffecten heeft, die de doelstellingen van uw eigen beleid zullen ondergraven. Wat we vandaag zien en wat ik ook hoor op het terrein is dat familiale solidariteit op affectief vlak wordt afgebroken om toch een beroep op de wettelijke solidariteit te kunnen doen. Dat is een effect waarvan ik hoop dat u het niet hebt bedoeld, maar het dreigt de Staat potentieel ook veel extra middelen te kosten. Daarom vraag ik u om dat aspect ook in de evaluatie op te nemen. Wat de praktische uitwerking betreft, ik begrijp absoluut niet waarom het niet mogelijk is om de billijkheidsregel in een aantal gevallen wel structureel toe te passen. Ik begrijp dat een aantal gevallen vergelijkbaar zijn in de OCMW’s. Door wel een aantal regels structureel vast te leggen, zou men de administratieve en praktische lasten voor de maatschappelijke werkers, die al die billijkheidsregels nu individueel moeten motiveren en berekenen, kunnen beperken. Dat dit niet gebeurt, zorgt ervoor dat de druk op het terrein, zoals ook in de vorige vraag aan bod kwam, alleen maar hoger wordt. Ik denk dat dit met een aantal eenvoudige maatregelen en instructies voor de verschillende OCMW’s in vergelijkbare situaties, bijvoorbeeld eenoudergezinnen met een aantal kinderen, mogelijk moet zijn. Dat u dat niet overweegt, vind ik spijtig.
-
Vraag: Het onderzoek naar fraude bij het OCMW van Anderlecht (Q56014508C)
Vraag: De situatie bij het OCMW van Anderlecht, de dossierachterstand en de overmatige werkdruk (Q56015982C)
Vraag: De veroordelingen van het OCMW van Anderlecht wegens laattijdige behandeling van leefloondossiers (Q56016000C)
Vraag: De onderzoeksdaden in het fraudedossier van het OCMW van Anderlecht (Q56016281C)
Vraag: De burgerlijkepartijstelling in het dossier van het OCMW van Anderlecht (Q56016836C)
Vraag: Het OCMW van Anderlecht (Q56017290C)
gezondheid en welzijnHet onderzoek naar fraude bij het OCMW van Anderlecht
De situatie bij het OCMW van Anderlecht, de dossierachterstand en de overmatige werkdruk
De veroordelingen van het OCMW van Anderlecht wegens laattijdige behandeling van leefloondossiers
De onderzoeksdaden in het fraudedossier van het OCMW van Anderlecht
De burgerlijkepartijstelling in het dossier van het OCMW van Anderlecht
Het OCMW van Anderlecht
Problemen, fraude en wanbeheer bij het OCMW van Anderlecht summaryExplanationGesteld door
N-VA Wouter Raskin
Les Engagés Anne Pirson
VB Ellen Samyn
VB Ellen Samyn
Les Engagés Anne Pirson
Vooruit Anja Vanrobaeys
Beantwoord door
Denis Ducarme
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
De discussie draait rond structurele wanpraktijken, fraude en administratieve tekortkomingen bij OCMW Anderlecht, met kritiek op zowel het lokale bestuur als de trage gerechtelijke en politieke opvolging. Minister Van Bossuyt bevestigt dat ze zich op 2 juni 2026 burgerlijke partij stelde en op 12 juni bijkomende onderzoeksdaden eiste, na eerdere kritiek dat het auditoraat kernfiguren niet verhoorde en bewijs onvoldoende onderzocht werd; ze hoopt deze maand duidelijkheid, maar justitie vertraagt. Ze herstelde al 1 miljoen euro aan onterecht uitbetaalde federale middelen en dringt aan op gewestelijke tuchtonderzoeken, hoewel de Brusselse audit pas in september verwacht wordt. OCMW Anderlecht wordt herhaaldelijk veroordeeld voor systematische vertragingen (234 veroordelingen, 113.000 euro schadevergoedingen in 2025), met duizenden hangende dossiers door personeelstekort en stijgende vraag. Kritiek en meningen: Oppositieleden (o.a. Raskin, N-VA) beweren dat Brusselse PS-mandatarissen (o.a. minister Laaouej) cliëntelisme en fraude dekken en ongestraft blijven, terwijl Vanrobaeys (sp.a) en Pirson (MR) de ondermijning van solidariteit en gebrek aan vertrouwen in controlemechanismen aanklagen. Samyn (VB) vraagt zich af of de gewesten hun toezichtplicht nakomen, gezien herhaalde vertragingen en fraudezaken. De minister belooft strengere sancties en uitbreiding van de inspectiedienst, maar erkent dat gewestelijke actie (bv. tuchtonderzoeken) cruciaal is.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, we herinneren ons allemaal nog de bijzondere parlementaire werkgroep naar aanleiding van de wantoestanden bij het OCMW in Anderlecht. Die heeft een aantal aanbevelingen gedaan. Een daarvan was de vraag aan de federale regering om zich burgerlijke partij te stellen in het gerechtelijk onderzoek naar die mogelijke fraude aldaar.
Wat is de stand van zaken in de uitvoering van die concrete aanbeveling?
Anne Pirson:
Madame la ministre, plusieurs actualités ont mis en lumière les difficultés structurelles rencontrées par le CPAS d’Anderlecht dans le traitement des demandes de revenu d’intégration sociale d'une part mais également de poches de violence assez importantes à l'encontre des assistants sociaux.
Vous le savez, Madame la Ministre, le CPAS d'Anderlecht avait fait l'objet d'un groupe de travail très poussé ces derniers mois concernant certaines malversations et cette commission avait dès lors adopté une résolution, par la suite votée en plénière.
Selon les informations relayées, le délai légal de 30 jours ne serait plus respecté pour un nombre important de dossiers, entraînant des situations particulièrement préoccupantes pour des personnes déjà en situation de grande précarité.
Certains bénéficiaires se retrouveraient durant plusieurs mois sans revenu, parfois sans réponse claire de l’administration, avec des conséquences importantes en matière de logement, d’endettement, d’accès aux soins ou encore de formation.
Les chiffres évoqués interpellent également.
En 2025, plus de la moitié des recours ouverts devant le tribunal du travail francophone de Bruxelles en matière de CPAS concernaient le CPAS d’Anderlecht. Plusieurs condamnations ont par ailleurs conduit au versement de dommages et intérêts pour non-respect des obligations légales.
Dans le même temps, le président du CPAS souligne un contexte particulièrement difficile : augmentation continue du nombre de bénéficiaires du RIS, surcharge importante des assistants sociaux, pénurie de personnel, difficultés de recrutement à Bruxelles et perspectives d’augmentation supplémentaire du nombre de bénéficiaires dans le cadre de la réforme du chômage.
Cette situation met en évidence les fortes tensions auxquelles certains CPAS sont confrontés aujourd’hui, particulièrement dans les grandes villes, entre hausse des demandes d’aide sociale, contraintes administratives et nécessité de garantir un accompagnement humain et juridiquement sécurisé des bénéficiaires.
Partant, madame la ministre:
Le Gouvernement envisage-t-il des adaptations réglementaires afin d’éviter que des retards administratifs ne conduisent des personnes vulnérables à se retrouver temporairement sans revenu en raison du manque d'assistantes sociales?
Des contacts ont-ils été pris avec le CPAS d'Anderlecht d'initiative par votre administration ou en réponse au CPAS d'Anderlecht?
Je vous remercie pour vos réponses, madame la ministre.
Madame la ministre, en novembre 2024, on s’en souvient, une enquête journalistique de l’émission Pano avait mis en lumière de possibles dysfonctionnements au sein du CPAS d’Anderlecht, notamment en matière d’octroi et de contrôle de certaines aides sociales.
On se souvient de la vive émotion que ces révélations avaient suscitée. Elles avaient conduit à l’ouverture d’une enquête judiciaire ainsi qu’à plusieurs auditions parlementaires dans le cadre d'un groupe de travail mis en place au sein de cette commission et qui découlait d’une résolution adoptée en séance plénière.
Selon des informations récemment relayées par la presse, l’auditorat du travail aurait demandé le non-lieu dans ce dossier au motif que les éléments recueillis ne permettraient pas d’établir des infractions suffisantes. Vous avez cependant publiquement fait part de votre étonnement face à cette évolution. Vous avez estimé que plusieurs devoirs d’enquête importants n’avaient pas été accomplis et que certaines personnes clés n’auraient pas été entendues. Vous avez également annoncé votre intention de vous constituer partie civile afin de solliciter des investigations complémentaires.
Cette affaire dépasse le seul cas du CPAS d’Anderlecht. Elle touche à la confiance des citoyens dans notre système de protection sociale et dans la capacité des pouvoirs publics à faire toute la lumière lorsqu’il existe des soupçons d’irrégularités dans l’utilisation de fonds publics.
Madame la ministre, pouvez-vous confirmer à la Chambre que vous vous êtes effectivement constituée partie civile dans ce dossier et, dans l'affirmative, nous indiquer, dans le strict respect du secret de l'instruction, la nature des investigations complémentaires que vous estimez nécessaires?
Quelles suites concrètes attendez-vous désormais de cette démarche et quelles conclusions tirez-vous de cette affaire pour renforcer les mécanismes de contrôle au sein des CPAS? Je vous remercie.
Ellen Samyn:
Ik verwijs naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vragen.
Uit berichtgeving van Le Soir en BRUZZ blijkt dat het OCMW van Anderlecht sinds vorig jaar al 234 keer werd veroordeeld door de Brusselse arbeidsrechtbank omdat aanvragers van een leefloon niet tijdig werden geholpen. Volgens OCMW-voorzitter Guy Wilmart gaat het intussen om 113.000 euro aan schadevergoedingen, terwijl eind januari nog sprake was van 52.000 euro.
In 2025 stapten al 783 mensen naar de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel, vaak in kortgeding. Volgens de berichtgeving zou dat meer dan de helft zijn van alle klachtendossiers over Brusselse OCMW's. Voor Anderlecht alleen zouden momenteel nog 641 rechtszaken hangende zijn.
De voorzitter van het OCMW wijst op een personeelstekort. Tegelijk wordt aangegeven dat Anderlecht op korte termijn tot 10.000 leefloongerechtigden verwacht, mede door de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Ook zouden er nog duizenden bijkomende dossiers lopen rond energiesteun, medische noodhulp en andere hulpvragen.
Bent u op de hoogte van de situatie bij het OCMW van Anderlecht, waar reeds 234 veroordelingen werden uitgesproken wegens laattijdige behandeling van leefloonaanvragen?
Beschikt u over cijfers over het aantal OCMW's in België dat reeds schadevergoedingen moest betalen wegens laattijdige behandeling van leefloonaanvragen of andere vormen van maatschappelijke hulp?
Zo ja, kan u een overzicht geven per gewest en, indien mogelijk, per gemeente van (dit mag mij eventueel schriftelijk bezorgd worden):
het aantal gerechtelijke procedures tegen OCMW's;
het aantal veroordelingen;
het totale bedrag aan opgelegde schadevergoedingen;
het aantal nog hangende procedures?
Is de situatie in Anderlecht een geïsoleerd probleem, of ziet u signalen dat ook andere OCMW's, in Brussel of elders in dit land, structureel moeite hebben om leefloondossiers binnen de wettelijke termijnen te behandelen?
Meer dan een jaar geleden concludeerde de parlementaire werkgroep dat er bij het OCMW van Anderlecht sprake was van ernstige wanpraktijken en mogelijke fraude met federale subsidies. Dat dossier kwam destijds onder de aandacht na de Pano-reportage over het Anderlechtse OCMW, waarna een parlementaire werkgroep en een gerechtelijk onderzoek volgden.
Gisteren bevestigde u in de Kamer dat het Auditoraat-Generaal de buitenvervolgingstelling vraagt wegens onvoldoende bewijs. Dat is bijzonder verontrustend. Zeker omdat uit uw eigen verklaringen van gisteren blijkt dat u zich burgerlijke partij zal stellen en bijkomende onderzoeksdaden zal vragen. U verklaarde ook dat u dit dossier niet loslaat en elke euro die de federale overheid mogelijk verloren heeft, wil recupereren.
In een bijkomende reactie stelde u zelfs dat uw advocaat heeft vastgesteld dat verschillende evidente onderzoeksdaden niet zouden zijn gesteld. Kernfiguren zouden volgens u zelfs niet gehoord zijn. Als dat klopt, rijst de vraag wat er het afgelopen jaar dan wél effectief is onderzocht.
Wanneer er ernstige aanwijzingen zijn van wantoestanden, maar het onderzoek dreigt te stranden bij gebrek aan bewijs, dan moet duidelijk zijn of dat gebrek aan bewijs het gevolg is van een gebrek aan feiten, dan wel van een gebrek aan onderzoeksdaden.
Welke concrete onderzoeksdaden zijn er tot dusver gesteld in dit dossier?
Werden er huiszoekingen uitgevoerd of werd communicatie, zoals e-mails, berichten of interne documenten, onderzocht?
Klopt het dat bepaalde kernfiguren niet werden gehoord? Zo ja, over wie gaat het en waarom acht u hun verhoor noodzakelijk?
Welke bijkomende onderzoeksdaden vraagt u als burgerlijke partij?
Op welke datum heeft u zich effectief burgerlijke partij gesteld, of wanneer zal dat formeel gebeuren?
Heeft de POD Maatschappelijke Integratie zelf bijkomende controles of audits uitgevoerd naar de betrokken dossiers?
Op welke termijn verwacht u dat eventueel onterecht uitbetaalde federale subsidies kunnen worden teruggevorderd?
Welke lessen trekt u uit dit dossier om te vermijden dat gelijkaardige fraude of wanpraktijken bij andere OCMW's onder de radar blijven?
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, ik verwijs naar de uiteenzetting van collega Pirson voor de historiek van het dossier met alle stappen, waaronder hoorzittingen en de goedkeuring van een resolutie. Eerder verklaarde u dat het auditoraat een buitenvervolgingstelling wegens onvoldoende bewijzen in het onderzoek naar de vermeende fraude en wanpraktijken bij het OCMW van Anderlecht vraagt. U voegde daar toen aan toe dat volgens u evidente onderzoeksdaden niet waren uitgevoerd, dat bepaalde kernfiguren niet waren verhoord en dat u bijgevolg, in overleg met uw raadsman, zich burgerlijke partij zou stellen en bijkomende onderzoeksdaden vragen.
Over welke concrete onderzoeksdaden gaat het volgens u? Welke werden niet uitgevoerd? Welke bijkomende onderzoeksdaden worden gevraagd? Hebt u zich al formeel burgerlijke partij gesteld of moet dat nog gebeuren? Tegen wanneer zal dat gebeuren? Wat zult u precies vragen?
Hebt u een indicatie van het bedrag aan federale middelen dat volgens uw administratie mogelijk onterecht werd uitgekeerd? Welk bedrag hoopt u nog te recupereren?
We hebben daar al uitgebreid over gesproken, ook tijdens de hoorzitting over sociale fraude, en u hebt toen al een gedetailleerde stand van zaken meegedeeld. Is er sindsdien nog iets veranderd? Hebt u bijvoorbeeld structurele maatregelen genomen om dergelijke situaties te voorkomen?
We hebben destijds vastgesteld dat een belangrijke sleutel bij de gewesten ligt. Er is nu een Brusselse regering. Is er met de Brusselse regering overleg gepleegd? Komt er daar schot in de zaak? Neemt zij het heft in handen om dergelijke schandalen te voorkomen?
Voorzitster: Ellen Samyn.
Présidente: Ellen Samyn.
Denis Ducarme:
Madame la ministre, je voudrais revenir sur un élément qui est, à mes yeux, le plus important de tous. Ce n’est pas tant l’affaire elle-même que le fait que ce Parlement a adopté une proposition de résolution demandant à la ministre de se constituer partie civile et de récupérer les financements fédéraux indûment perçus ou détournés par le CPAS d’Anderlecht.
Vous nous avez indiqué en séance plénière, il y a déjà quelques semaines, que vous vous étiez constituée partie civile. Vous allez peut-être pouvoir nous confirmer aujourd’hui que c’est effectivement le cas. Je pense d’ailleurs que cette démarche aurait dû être entreprise plus tôt car, tant que vous ne vous étiez pas constituée partie civile, il ne pouvait y avoir d’enquête approfondie sur les éléments que vous apportiez en tant que partie lésée. J’espère donc que cette étape est désormais franchie. Au-delà de l’expression démocratique de la Chambre, qui a décidé par un vote de confier au gouvernement le soin de se constituer partie civile, il y a aussi une dimension humaine.
Avec les membres du groupe de travail, nous avons reçu à la Chambre des travailleurs sociaux complètement apeurés, venus témoigner de la situation dramatique au CPAS d’Anderlecht. Comme mes collègues, je considère que nous avons également un devoir moral à leur égard: celui d’aller jusqu’au bout de ce dossier, qui est dramatique sur le plan humain et grave sur les plans politique et financier.
J’espère donc que vous pourrez pleinement nous rassurer quant à vos intentions en la matière.
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Raskin, mevrouw Samyn, mevrouw Pirson, mevrouw Vanrobaeys en mijnheer Ducarme, voor de stand van zaken omtrent dat onderwerp verwijs ik voornamelijk naar de uitleg die ik al gaf tijdens de plenaire vergaderingen van zowel 21 als 28 mei. Daaruit bleek trouwens ook dat ik in geen geval het Parlement op de een of andere manier zou hebben voorgelogen, in tegenstelling tot sommige insinuaties.
Daarnaast kan ik u de nieuwe stappen in het dossier sinds mijn laatste antwoord meedelen. Op 2 juni jongstleden volgde de effectieve burgerlijke partijstelling via mijn advocaat. Op 12 juni jongstleden werden bijkomende onderzoeksdaden gevraagd in het dossier. Op 16 juni zou normaal gezien een uitspraak volgen over het verdere verloop, maar die werd uitgesteld om de onderzoeksrechter meer tijd te geven om op ons verzoekschrift te antwoorden. Ik hoop dus deze maand meer duidelijkheid te hebben, maar ik heb natuurlijk geen invloed op de werking van justitie. Ik kan niet verder ingaan op de inhoud van het onderzoek, noch toelichten welke bijkomende onderzoeksdaden precies werden gevraagd. Zoals u weet, zou het publiek maken van dergelijke informatie het verdere verloop van het onderzoek kunnen beïnvloeden. Wat ik wel kan verzekeren, is dat het dossier door mij persoonlijk, door mijn kabinet, door mijn administratie en door mijn advocaat van zeer nabij wordt gevolgd en dat elke verdere stap nauwlettend wordt gemonitord.
Wat de elementen betreft uit uw vraagstelling die nog niet werden beantwoord, kan ik meedelen dat de laatste controle, die eind 2025 bij het OCMW van Anderlecht werd uitgevoerd, leidde tot terugvorderingen van in totaal 1 miljoen euro over alle gecontroleerde materies samen. De controle van de knipperlichten leidde tot een terugvordering van 372.000 euro en de controle van de dossiers inzake het recht op maatschappelijke integratie tot een terugvordering van 211.000 euro.
Ik kan ook nog meegeven dat ik na de bijkomende inspecties door mijn administratie, vorig jaar in maart, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een brief heb gestuurd met de vraag om zijn toezichtfunctie ten aanzien van het OCMW van Anderlecht optimaal op te nemen. Zoals u weet, kunnen we wel controleren op de besteding van onze middelen, maar de werking van een lokaal bestuur staat onder gewestelijk toezicht. Maatregelen zoals tuchtsancties voor lokale mandatarissen of een vorm van dwangtoezicht, dus curatele, zijn gewestelijke bevoegdheden. De toenmalige minister-president Rudy Vervoort heeft bevestigd dat men het OCMW zou auditen en gepaste maatregelen zou nemen. Intussen verneem ik van het kabinet van minister Laaouej dat die audit pas in september wordt opgeleverd.
Ik mag toch hopen dat tegen bepaalde mandatarissen minstens een tuchtonderzoek wordt geopend. Het regeerakkoord voorziet een aantal stappen om de sanctiemogelijkheden van de inspectiedienst te versterken. Ik zal in het najaar een wetsontwerp hieromtrent voorstellen.
De inspectiedienst van de POD MI heeft een actieplan uitgewerkt om de interne controleketen te versterken, onder meer om te voldoen aan de aanbevelingen van uw commissie van juni 2025. Ik zal bij de begrotingsopmaak van 2027 dan ook voorstellen om het inspectieteam uit te breiden. Er zijn ook contacten gelegd met de federale audit- en controleorganen, in het bijzonder de SIOD, maar ook met regionale instanties, zoals de GGC en Audit Vlaanderen, om synergieën tussen de verschillende diensten te ontwikkelen. Deze samenwerkingen zijn erop gericht om de informatie-uitwisseling tussen de diensten te versterken en de complementariteit tussen hen te verbeteren.
Mesdames Pirson et Samyn, comme vous le soulignez, il est inacceptable que des personnes restent sans nouvelles de leur dossier pendant des mois. Je rappelle que l'article 21 de la loi relative au droit à l'intégration sociale dispose que le CPAS doit prendre une décision dans les 30 jours qui suivent la réception de la demande. Le CPAS d'Anderlecht est confronté à des retards considérables dans le traitement des dossiers. Ce problème a été mis en évidence par le passé et reste un sujet de préoccupation.
En ce qui concerne les révisions annuelles, quelques points doivent être clarifiés. Le droit subsiste tant que la situation de la personne n'a pas changé. Le droit n'est donc pas supprimé au bout d'un an si la situation n'a pas évolué, mais le financement de l'État au CPAS est suspendu si aucune nouvelle décision n'est prise. Le CPAS doit continuer à verser le revenu d'intégration à la personne, mais il devra préfinancer ce paiement tant qu'aucune nouvelle décision n'aura été communiquée au SPP Intégration sociale. Il est donc inacceptable qu'une personne subisse les défaillances administratives du CPAS.
Le cadre légal est suffisamment clair. J'ai publié en janvier 2026 une circulaire rappelant la procédure de traitement d'une demande auprès du CPAS. Le service d'inspection du SPP Intégration sociale accorde une attention particulière à ce type de problème au sein des CPAS, car le droit des bénéficiaires est en jeu. Je souhaite en effet renforcer la possibilité de sanctionner financièrement les CPAS qui ne respectent pas la procédure de traitement des demandes.
Par ailleurs, le SPP Intégration sociale réalise des audits de procédure afin de permettre aux CPAS de mettre en place des processus internes solides qui respectent le cadre légal.
Wouter Raskin:
Mevrouw de minister, ik heb er alle begrip voor dat u, om evidente redenen, niet in detail kunt treden over een lopend gerechtelijk onderzoek. Dat gezegd zijnde, wij zijn tevreden met de stappen die u op het vlak van burgerlijke partijstelling hebt geschetst. De betrokkenen zijn mogelijk schuldig aan sociale fraude en het bestelen van de maatschappij, en dat op een bijzonder onbeschaamde wijze, in ruil voor stemmen. Platter bestaat bijna niet. Ik vind dat het onze maatschappelijke plicht is om zulke mensen te blijven opjagen, want anders zullen ze niet stoppen.
Het ene dossier is nog maar net hangende gemaakt of er duikt alweer een nieuwe casus met Anderlechtse Haard op. We moeten samen vaststellen, of dat nu sympathiek is of niet, dat het over dezelfde mensen gaat. Het gaat opnieuw over hetzelfde systeem van de Brusselse PS, van Laaouej en co, waarop niemand, maar dan ook niemand, vat lijkt te hebben. Het lijkt wel in het DNA van de Brusselse PS te zitten. U hoopt dat er op gewestelijk niveau een tuchtonderzoek komt. Wel, mevrouw de minister, ik moet u ontgoochelen, dat zal niet gebeuren, om evidente redenen.
Wij moeten binnen de federale bevoegdheden die clan het orderwoord ça suffit geven, want anders begrijpen ze ons niet. Mevrouw de minister, we laten dat niet passeren. Daarom is het goed dat die stappen zijn gezet. Ik kijk uit naar het vervolg daarvan.
Anne Pirson:
Madame la ministre, nous poursuivons tous le même objectif: faire toute la lumière sur cette affaire. Il est vrai que, lorsque des soupçons d’irrégularités portent sur l’utilisation de fonds publics et sur le fonctionnement d’un CPAS, il est essentiel que les citoyens puissent conserver leur confiance et que les procédures de vérification puissent aller à leur terme. Au-delà du dossier judiciaire lui-même, cette affaire nous rappelle vraiment l’importance de disposer de mécanismes de contrôle efficaces, afin de garantir une gestion rigoureuse des deniers publics et de préserver ainsi la crédibilité de notre système de solidarité dans son ensemble. Nous ne manquerons donc pas de suivre cette affaire de près, sur le plan judiciaire, dans le strict respect du principe de séparation des pouvoirs.
Anja Vanrobaeys:
Mevrouw de minister, ik juich het toe dat u zich burgerlijke partij stelt, want dat voert de druk op. Eerlijk gezegd, het is onaanvaardbaar dat kwetsbare personen, waar ook – in Anderlecht bracht de Panoreportage de wanpraktijken aan het licht –, niet aan de nodige begeleiding en ondersteuning geraken, omdat anderen wegens cliëntelisme of politiek gewin worden voorgetrokken. Ik vergeet nooit de getuigenissen van sociaal werkers. Zij deden hun uiterste best om een sociaal onderzoek op een gedegen en correcte manier uit te voeren, maar werden vervolgens overruled door voorzitters en degenen die de macht in handen hebben. Wat mij misschien nog het meest choqueert, is dat die personen gewoon voortdoen, deze keer bij de sociale huisvestingsmaatschappij. Ik hoop dan ook dat er een audit van de gewesten komt.
Ik ben in ieder geval tevreden dat u inzet op structurele maatregelen binnen uw bevoegdheden, dat u zich burgerlijke partij stelt en dat u de uitgekeerde bedragen terugvordert. Dergelijke praktijken ondergraven immers onze solidariteit, solidariteit die mij na aan het hart ligt. Als men een reden zoekt om alles op te blazen, dan moet men zo voortdoen. Als socialist vind ik dat we dat soort fraude moeten stoppen.
Ellen Samyn:
Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw uitgebreid antwoord. Het is goed dat u zich burgerlijke partij hebt gesteld. Uiteraard heb ik alle begrip voor het feit dat u geen verdere details kunt geven.
Wat het verschuiven van de auditdatum betreft, collega Raskin en ik u hebben u vorig jaar in september of oktober al gevraagd naar de stand van zaken. Toen zei u dat er in juli een audit zou plaatsvinden. Die wordt dus nu verschoven naar september.
Anneleen Van Bossuyt:
Dat is een audit van de gewesten.
Ellen Samyn:
Uiteraard, het gaat over een audit door de gewesten. Het is dus geen kritiek op u. In ieder geval vonden collega Rasquin en ikzelf al dat dat eigenlijk waanzin was en ik vraag mij af of die datum niet opnieuw zal verschoven worden. Hoe dan ook hoop ik op een grondige audit. We kunnen niet ontkennen dat er in Anderlecht een hoge werkdruk is. De problematiek van dossiers die niet binnen een maand kunnen worden afgehandeld, blijft dus bestaan. Ik heb zeker begrip voor de werkdruk, maar men moet er toch ook rekening mee houden dat daar belastinggeld naartoe vloeit, als er procedures worden opgestart. Anderlecht kampt met een magneeteffect. Het wordt al jarenlang geconfronteerd met een hoge druk op de sociale diensten. Het aantal leefloondossiers blijft er hoog. Wat mij bijzonder verontrust, is dat Anderlecht steeds opnieuw opduikt in fraudedossiers. Er kunnen dus toch ernstige vragen gesteld worden bij het bestuur, de controle en het toezicht. In Anderlecht zitten nog altijd dezelfde mensen aan de knoppen. Ik meen dat die augiasstal eens heel goed uitgemest mag worden. U sprak over extra controles. Die zullen wij zeker steunen, want ik meen dat het daarvoor meer dan hoog tijd is.
-
Vraag: De eventuele koppeling van extra voorwaarden aan sociale hulp voor Oekraïense vluchtelingen (Q56015051C)
internationale politiek en migratieDe eventuele koppeling van extra voorwaarden aan sociale hulp voor Oekraïense vluchtelingen
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Anne Pirson (N-VA) vraagt om verduidelijking over de voorwaarden voor integratie-inzet die minister Van Bossuyt (N-VA) wil koppelen aan het recht op leefloon voor Oekraïense vluchtelingen met tijdelijke bescherming, en wijst op juridische twijfels (EU-kader, uniformiteit CPAS-uitvoering). Van Bossuyt antwoordt dat het dossier nog in beraad is na input van CPAS-federaties en de Raad van State, zonder concrete details te geven. Pirson aanvaardt het uitstel, maar benadrukt impliciet de spanningsveld tussen activatiebeleid en rechtzekerheid voor 23.000 Oekraïense leefloontrekkers. De juridische en praktische haalbaarheid blijft onopgehelderd.
Anne Pirson:
Madame la ministre, vous avez récemment annoncé que l’octroi du revenu d’intégration pour les personnes bénéficiant d’une protection temporaire – en particulier les réfugiés ukrainiens – serait désormais davantage conditionné à des efforts d’intégration.
Cette orientation s’inscrit dans une logique que nous pouvons comprendre et partager: favoriser, dès l’arrivée, l’apprentissage de la langue, l’accès à l’emploi et l’insertion dans la société. Cela constitue un levier essentiel, tant pour les personnes concernées que pour la collectivité.
Les chiffres illustrent l’importance de cet enjeu et notre soutien total à l'Ukraine depuis l'invasion russe en 2022. En 2025, plus de 23 000 ressortissants ukrainiens ont bénéficié d’un revenu d’intégration en Belgique, dans un contexte où plus de 100 000 personnes ont obtenu une protection sur notre territoire depuis 2022.
Dans ce cadre, l’objectif de renforcer l’activation et l’intégration dès le début du parcours apparaît légitime. Il convient toutefois de veiller à ce que la mise en œuvre concrète de ce mécanisme soit juridiquement sécurisée, opérationnelle pour les CPAS et compatible avec le cadre spécifique de la protection temporaire.
En effet, le revenu d’intégration reste un droit encadré par la loi, et les bénéficiaires de protection temporaire disposent d’un statut particulier au niveau européen. Par ailleurs, la mise en place d’un système combinant un revenu de base réduit et des compléments conditionnés à l’intégration soulève des questions pratiques en termes de suivi et d’harmonisation entre les CPAS.
Madame la ministre, pouvez-vous préciser sur quelle base légale reposera ce nouveau mécanisme appliqué aux bénéficiaires de protection temporaire – notamment ukrainiens? Comment ce dispositif s’articulera-t-il avec le cadre européen de la protection temporaire, afin de garantir la sécurité juridique des bénéficiaires? Quelles garanties seront prévues pour assurer une application uniforme par les CPAS, compte tenu de leur rôle central dans le suivi des efforts d’intégration?
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Pirson, à la suite des avis des fédérations de CPAS et du Conseil d’État, les discussions se poursuivent au sein du gouvernement. Je ne peux et ne souhaite pas à ce stade préjuger du résultat final de ces négociations qui sont pleinement en cours.
Anne Pirson:
Nous patienterons donc encore un peu pour connaître la suite de ce dossier. Je vous remercie.
-
Vraag: De invoering van het centraal register voor sociale uitkeringen (Q56015062C)
De invoering van het centraal register voor sociale uitkeringen
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Minister Van Bossuyt bevestigt dat het centraal register voor sociale hulp (planning: operationeel tegen 1 oktober 2026) in uitvoering is, met een interministeriële werkgroep (samen met Vandenbroucke) die sinds maart 2026 overlegt, waaronder met federale en gewestelijke entiteiten via de CIM Intégration sociale. De Banque Carrefour de la Sécurité sociale krijgt de opdracht voor de juridische basis en uitrol, met focus op plafonnering van uitkeringen en harmonisatie tussen niveaus. Pirson benadrukt het belang van transparantie en efficiëntie om dubbele uitkeringen en drempeleffecten te vermijden, maar stelt voorwaarden: strikte databescherming en respect voor bevoegdheidsverdeling moeten gegarandeerd zijn. Ze waardeert de samenwerking met gewesten maar blijft waakzaam voor de uitvoering.
Anne Pirson:
Madame la ministre, dans votre note de politique générale 2026, vous avez annoncé le lancement d'un projet ambitieux de création d'un registre central des aides sociales, en collaboration avec vos collègues du gouvernement, en charge notamment des affaires sociales et de l'emploi. Cette initiative s'inscrit pleinement dans l'accord de gouvernement qui dispose que toutes les aides sociales et autres prestations soient répertoriées dans un registre central pour qu'il puisse en être tenu compte dans le calcul de l'ensemble des aides et prestations sociales.
L'accord de gouvernement précise également que ce registre devra être consultable et alimenté par l'ensemble des organismes qui octroient ces aides, tout en garantissant que les avantages relevant de l'assurance maladie restent, eux, immunisés.
Vous indiquez aussi qu'un groupe de travail a été institué, associant les différentes administrations concernées, et que l'année 2026 serait consacrée à la création d'une base légale, à la définition des paramètres, ainsi qu'à l'inventaire des aides et prestations à intégrer dans ce registre.
Ce projet revêt pour nous une importance particulière. Nous serons bien évidemment vigilants aux garde-fous qui seront installés. À terme, ce registre doit permettre, d'une part, d'obtenir une vision globale des aides sociales, ce dont nous ne disposions pas jusqu'à présent, y compris en articulation avec les entités fédérées et, d'autre part, de répondre à cet autre objectif: mieux identifier les éventuelles incohérences ou effets de seuil.
Dans ce contexte-là, madame la ministre, où en est concrètement l'avancement des travaux du groupe de travail interministériel? Les grandes lignes de la future base légale sont-elles déjà définies? Pouvez-vous faire état à la Chambre du calendrier envisagé concernant ce registre national? Dans quelle mesure les entités fédérées et les organismes qui octroient ces aides sont-ils aujourd'hui associés, notamment pour garantir l'alimentation effective et exhaustive du registre? Je vous remercie pour vos réponses.
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Pirson, pour votre première question, le groupe de travail ministériel relatif au registre central a été créé dans le cadre de la CIM Intégration sociale et Politique des grandes villes du 5 novembre 2025.
Ce groupe de travail s'est réuni le 25 mars dernier. Lors de cette réunion, le cabinet Vandenbroucke et le mien ont été désignés comme présidents. Les initiatives régionales concernant un registre central, ainsi que leur positionnement par rapport à un plafonnement des avantages sociaux, ont été discutées, de même que les initiatives fédérales en cours.
Pour votre deuxième question, la notification budgétaire du 12 décembre 2025 prévoit que la mise en œuvre du registre, lequel devra être opérationnel au 1 er octobre 2026, ainsi que l'élaboration de la base légale visant à l'instaurer et à permettre un plafonnement de l'ensemble des aides et prestations sociales, seront confiées à la Banque Carrefour de la Sécurité sociale, en concertation avec les administrations compétentes.
Le cabinet du premier ministre, celui du ministre des Affaires sociales, ainsi que les ministres de l'Emploi et de l'Intégration sociale collaborent actuellement à l'élaboration du registre.
Quant à votre troisième question, le groupe de travail de la CIM, dans lequel toutes les entités fédérées sont représentées, exerce une fonction de coordination en ce qui concerne le registre central. L'objectif est d'assurer une harmonisation de toutes les initiatives aux niveaux régional et fédéral.
Président: Denis Ducarme.
Voorzitter: Denis Ducarme.
Anne Pirson:
Merci pour vos réponses, madame la ministre. Mieux connaître l'ensemble des aides publiques existantes pour renforcer la cohérence du système de protection sociale, tout en évitant les effets de seuil et les situations où certaines aides se superposent sans doute encore aujourd'hui sans vision globale, doit effectivement constituer une priorité du gouvernement. Ce registre constituera donc vraiment un outil important pour améliorer l'efficacité et la transparence de l'action publique, à condition évidemment que les garanties en matière de protection des données et de respect des compétences de chacun soient pleinement assurées. Je vous remercie pour les différentes informations concernant la CIM et les discussions avec les entités fédérées.
-
Vraag: Het stijgende aantal studenten met een leefloon (Q56015185C)
economie en werkHet stijgende aantal studenten met een leefloon
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Samenvatting: Volgens minister Van Bossuyt stijgt het aantal studenten met een leefloon (vooral Belgen: 81,5%, niet-EU: 11,8%) sneller dan de algemene leefloonpopulatie, door levensduurte, huurprijzen en langere studies, met regionale verschillen (bv. meer niet-EU’ers in Vlaanderen, meer EU’ers in Brussel). Ze bekritiseert mogelijk misbruik van het statuut tijdelijk ontheemde (bv. Oekraïners) als alternatief voor een studentenvisum, wat het systeem ondermijnt. Studeren met leefloon verhoogt arbeidsmarktparticipatie (46,5% vs. 36,2% na 5 jaar), maar OCMW’s kampen met complexere dossiers en begeleidingsnoden. Samyn wijst op het structureel hogere aandeel niet-EU’ers in Vlaanderen en vraagt om verdere analyse.
Ellen Samyn:
Uit recente cijfers blijkt dat in Vlaanderen 10.064 studenten een leefloon ontvangen om hun studies af te werken. Dat aantal zou de voorbije jaren verder zijn gestegen. Vooral in studentensteden zoals Gent, maar ook in andere centrumsteden, gaat het om een aanzienlijke groep jongeren die tijdens hun opleiding afhankelijk is van steun via het OCMW.
Voor sommige studenten kan die steun een belangrijke hefboom zijn om alsnog een diploma te behalen en zo hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Tegelijk roept die evolutie ook vragen op over de bredere financiële kwetsbaarheid van jongeren in opleiding, de druk op de OCMW's en de afstemming tussen studieondersteuning en maatschappelijke integratie.
Hoe evalueert u de stijging van het aantal studenten met een leefloon in België? Ziet u deze evolutie in alle regio's? Graag een opsplitsing per regio en de verhouding tussen personen met de Belgische nationaliteit, personen met een nationaliteit van een EU-lidstaat en personen met een niet-EU-nationaliteit?
Beschikt u over een analyse van de belangrijkste oorzaken van die toename? Heeft u een verklaring voor het feit dat bepaalde centrumsteden significant meer studenten met een leefloon tellen dan anderen? Op de kaart die gepubliceerd werd op de website van VRT NWS zien we grote verschillen tussen de studentensteden onderling. Zo telt Gent 1.203 leefloonstudenten, Leuven 'slechts' 274, Antwerpen zit in het midden met 546 leefloonstudenten. Kortrijk telt er maar liefst 262 terwijl dit niet de grootste studentenstad is en zeker niet te vergelijken valt met Leuven. Hoe verklaart u deze verschillen tussen de universiteitssteden?
In welke mate verschilt de situatie naargelang het gaat om studenten in het hoger onderwijs, volwassenenonderwijs of trajecten richting een diploma secundair onderwijs?
Hoe beoordeelt u de rol van het leefloon als instrument om jongeren in een kwetsbare situatie toch een kwalificatie te laten behalen?
Wordt opgevolgd in welke mate deze studenten hun opleiding ook effectief afronden en nadien doorstromen naar werk?
Ziet u bijkomende noden of knelpunten voor de OCMW's in de begeleiding van deze groep studenten?
Plant u overleg hierover met uw collega's van de deelstaten, met de OCMW's, onderwijsactoren om deze evolutie verder in kaart te brengen en waar nodig beleidsmatig op te volgen?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Samyn, met betrekking tot de evolutie van de cijfers, de stijging van het aantal studenten dat een leefloon ontvangt, past in een algemenere toename van het aantal begunstigden, met name in de context van opeenvolgende crisissen en stijgende kosten van levensonderhoud. Sinds 2010 stijgt het aantal leefloonstudenten sneller dan de totale leefloonpopulatie.
Op Belgisch niveau is het aandeel van jongeren, en dan bedoelen we de groep tussen 18 en 25 jaar, in het totaal aantal van leefloonbegunstigden gestegen van 32,2 % in 2010 tot 35,1 % in 2025. Tegelijkertijd is het aandeel van studenten onder deze jonge begunstigden gestegen van 35,4 % tot 51,7 %. Hieruit blijkt dus dat de groep studenten met een leefloon sneller is toegenomen dan de algemene evolutie van de leefloonpopulatie, wat een structurele stijgende trend bevestigt.
In grote lijnen gaan de regionale verschillen in dezelfde richting, maar met verschillende profielen. Voor gedetailleerde cijfers verwijs ik u naar de mogelijkheid om een schriftelijke vraag in te dienen. Het is dan gemakkelijker om een volledig antwoord te geven.
Tegelijkertijd is waakzaamheid geboden. Mijn administratie en ik ontvangen signalen dat het statuut van tijdelijk ontheemde in bepaalde gevallen mogelijk oneigenlijk wordt gebruikt door personen die zich in België inschrijven voor een opleiding en vervolgens een leefloon aanvragen. Er zijn aanwijzingen dat dit beschermingsstatuut in sommige gevallen wordt aangewend als alternatief voor een studentenvisum, terwijl het in essentie bedoeld is om bescherming te bieden aan personen die door de oorlog in Oekraïne niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst. Misbruik van dit statuut ondermijnt het draagvlak van het systeem en gaat ook ten koste van de ondersteuning voor personen die deze bescherming en steun werkelijk nodig hebben.
Dan kom ik aan de vraag over de nationaliteit van de studenten. De gegevens tonen aan dat op Belgisch niveau de studenten die een leefloon ontvangen, overwegend de Belgische nationaliteit hebben. Van de betrokken jonge studenten is ongeveer 81,5 % Belg, tegenover 6,7 % onderdanen van de Europese Unie en 11,8 % onderdanen van derde landen.
Er zijn regionale verschillen. Het aandeel onderdanen van derde landen is relatief hoger in Vlaanderen, terwijl het aandeel onderdanen van de Europese Unie groter is in Brussel. Deze verschillen weerspiegelen grotendeels de structuur van de totale populatie leefloonbegunstigden in elke regio, met verschillen in de verdeling tussen Belgen, onderdanen van de Europese Unie en onderdanen van derde landen.
Verschillende factoren kunnen de stijging verklaren, met name de stijging van de kosten van levensonderhoud, de stijging van de huurprijzen, de langere studieduur en de kwetsbaardere sociaaleconomische situatie van een deel van de studenten.
Inzake de spreiding van de studenten over het grondgebied bepaalt artikel 2, § 6, van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn dat het OCMW bevoegd is van de gemeente waar de voltijdse student op het moment van het indienen van zijn steunaanvraag als hoofdverblijfplaats is ingeschreven in het bevolkings- of vreemdelingenregister. De wet bepaalt dat dat OCMW bevoegd blijft voor de gehele ononderbroken duur van de studies. Bijgevolg blijft, wanneer een jongere in een universiteitsstad gaat studeren, het OCMW van de stad van herkomst bevoegd.
In de verschillen tussen universiteitssteden kunnen verschillende factoren een rol spelen, namelijk de samenstelling van de studentenpopulatie, de specifieke kenmerken van de lokale huurmarkt, de aanwezigheid van kwetsbare groepen, de aard en de diversiteit van het onderwijsaanbod enzovoort.
Mijn diensten beschikken niet over de gevraagde opdeling van de beschikbare cijfergegevens. Uit een steekproef die werd genomen in het kader van een studie die op vraag van de POD Maatschappelijke Integratie werd uitgevoerd door Tempera, blijkt echter dat in de periode 2021-2022 ongeveer twee derde hogere studies volgde en 29 % een traject richting een diploma secundair onderwijs. Wie een opleiding in het volwassenenonderwijs volgt, wordt niet aanzien als student.
Uit een studie van de POD Maatschappelijke Integratie blijkt dat leefloonbegunstigde jongeren die een opleiding volgen, op termijn betere kansen hebben op de arbeidsmarkt dan jongeren die geen student zijn. Hoewel hun arbeidsparticipatie aanvankelijk lager is wanneer zij uit het leefloon stromen, stijgt ze daarna sterker en overtreft ze de participatie van niet-studenten na ongeveer twee jaar.
Op middellange en lange termijn wordt de kloof groter. Vijf jaar na het einde van het leefloon bedraagt de arbeidsparticipatie van jongeren die hebben gestudeerd ongeveer 46,5 % tegenover 36,2 % voor jongeren die niet studeren. De evolutie is dus gunstiger en ook duurzamer voor studenten.
De OCMW's worden geconfronteerd met een toename van het aantal dossiers alsook met steeds complexere situaties en veranderingen in de verschillende onderwijstrajecten. Dat vereist een individuele en intensieve begeleiding evenals een versterking van de samenwerking met onderwijsinstellingen en andere betrokken partners. Samen met mijn administratie ondersteun ik die wederzijdse dialoog.
Ellen Samyn:
Ik dank u voor het antwoord, mevrouw de minister. U had het over misbruik. Uit de cijfers en de nationaliteiten die u opsomt, blijkt dat het aandeel onderdanen uit derde landen structureel altijd groter is in Vlaanderen. Dat hebben we ook gezien bij het leefloon. Dat stel ik nu opnieuw vast in deze cijfers. Ik zal uw antwoord nog eens grondig nalezen, maar in ieder geval hartelijk dank voor uw uitgebreide antwoord.
-
Vraag: De leefloners met artikel 60-tewerkstelling (Q56015728C)
De leefloners met artikel 60-tewerkstelling
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Ellen Samyn bekritiseert de Antwerpse art. 60-aanpak als een onevenwichtig "succesverhaal": werkgevers betalen geen loonkost (OCMW draait op voor 100% brutoloon vs. 70% in NL), ex-deelnemers belanden vaak terug in werkloosheid, en ze vraagt om duurzame doorstroomcijfers, sectorgebruik en belangenconflicten bij bedrijfsselectie. Minister Van Bossuyt wijst de vraag af wegens bevoegdheidsverschuiving na de zesde staatshervorming (2014): federale diensten hebben geen inzicht meer in regionale uitvoering. Samyn stelt de kwestie—geïnspireerd door een ontvangen klacht—nu voor aan het Vlaams Parlement voor verdere opvolging.
Ellen Samyn:
Mijnheer de voorzitter, dit is de laatste vraag die ik vandaag kan stellen, daarna moet ik helaas vertrekken. Ik zal mijn andere vragen laten uitstellen.
In de media konden we recent lezen dat Antwerpen zijn artikel 60-aanpak als een succesverhaal presenteert. Maar een aantal cijfers en feiten blijven daarbij buiten beeld.
Een art. 60-werknemer kost de werkgever niets. Het OCMW betaalt het volledige brutoloon van 2.190 euro per maand. In Nederland is de vergelijkbare activeringssubsidie wettelijk begrensd op 70 procent van het minimumloon. Hier betaalt de overheid 100 procent.
En dan is er de vraag over de reële effectiviteit. Want wie een art. 60-traject afrondt, belandt nadien dikwijls terug in de werkloosheid, waarna ze opnieuw recht krijgen op een uitkering en de cirkel opnieuw begint.
Beschikt u over cijfers over de duurzame doorstroom van art. 60-medewerkers naar een vaste reguliere job, en hoeveel belanden er na afloop terug in werkloosheid of leefloon?
Welke soorten bedrijven maken voornamelijk gebruik van art. 60 leefloners, welke sectoren komen het vaakst voor?
Hoe worden die bedrijven geselecteerd? Zijn daar mogelijke belangenconflicten?
Hoe reageert u op de vaststelling dat werkgevers die art. 60'ers inzetten geen loonkosten dragen, terwijl reguliere concurrenten dat wel doen?
En hoe analyseert u het model in Nederland waar de subsidie maximaal 70% van het minimumloon kan bedragen in plaats van 100% hier in België?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Samyn, deze materie werd met de zesde staatshervorming grotendeels geregionaliseerd. Mijn diensten beschikken dus niet over deze informatie. De POD Maatschappelijke Integratie fungeert sinds 1 juli 2014 enkel nog als uniek betalingsloket voor de OCMW's en dit voor rekening van de regio's. Verder heeft mijn administratie geen enkel zicht meer op hoe deze maatregel concreet wordt toegepast, gelet op die staatshervorming.
Ellen Samyn:
Mevrouw de minister, dan zal ik de vraag stellen aan de collega's in het Vlaams Parlement. Ik stelde deze vraag omdat een klacht met betrekking tot artikel 60 tot bij ons kwam, maar ik laat dat verder opvolgen in het Vlaams Parlement.
-
Vraag: Het overleg met de voedselhulpsector (Q56014960C)
internationale politiek en migratieHet overleg met de voedselhulpsector
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
François De Smet bekritiseert dat de federale vermindering van financiële steun voor sociale hulp – zonder impactstudie – voedselonzekerheid verergert en stelt dat banques alimentaires de last op private schouders verplaatsen, terwijl Restos du Cœur in Wallonië dreigen vast te lopen. Minister Van Bossuyt bevestigt dat de overheid voldoende moet financieren, benadrukt haar terreinkennis (o.a. bezoek aan Gentse voedseldistributie) en erkent dat banques alimentaires slechts één schakel zijn. De Smet dringt aan op een bezoek aan een Waalse Resto du Cœur, wijzend op lokale zorgen over krappe middelen, maar Van Bossuyt reageert niet concreet op die oproep.
François De Smet:
Je vous ai déjà interrogé à plusieurs sujets sur cette problématique et je ne reviendrai pas sur la question de la diminution de la contribution fédérale qui est actée pour les années futures, sans étude d’impact sur les potentielles conséquences des vagues successives d'exclusion du ch ô mage pouvant entra î ner un accroissement de la pr é carit é alimentaire.
Le 11 février dernier, vous m’aviez indiqué que le SPP Intégration sociale organise trimestriellement des réunions de concertation avec les acteurs de l’aide alimentaire , réunions auxquelles votre cabinet est également convié .
A cet égard, vous avez également indiqué avoir effectué le 3 décembre 2025 une visite de travail à la Fédération des banques alimentaires de Flandre Occidentale.
C’est sur ce point que je voulais vous interroger.
D’une part, les réalités de terrain concernant l’aide alimentaire sont différentes en Wallonie et en Flandre.
D’autre part, les banques alimentaires représentent une réalité logistique , mais pas la réalité du terrain de la distribution aux bénéficiaires.
Ce faisant, loin de moi de dénigrer l’importance du travail des banques alimentaires, mais celui-ci n’est pas représentatif du travail sur le terrain avec les bénéficiaires et elle reporte la solidarité sur des épaules privées, car le définancement fédéral progressif risque d'entraîner les Restos du Cœur dans une situation très difficile.
En conséquence, Madame la Ministre peut-elle me faire savoir:
si elle entend visiter prochainement soit un resto du cœur local soit la fédération des Restos du Cœur de Belgique pour se rendre compte de la réalité tangible de la distribution directe de l’aide alimentaire?
si elle confirme le fait que l’aide alimentaire doit également en vertu du principe de la solidarité fédérale, ne pas relever d’un financement qui s’apparenterait de plus en plus à un financement privé au départ des banques alimentaires?
Anneleen Van Bossuyt:
Monsieur De Smet, concernant votre première question, je reconnais l’importance de l’aide alimentaire. Le 3 décembre 2025, j’ai effectué une visite de travail à la Banque alimentaire de Flandre-Orientale. J’ai ainsi pu découvrir son fonctionnement quotidien et échanger avec les bénévoles. La Fédération belge des Banques Alimentaires était également présente lors de cette visite, à l’issue de laquelle un entretien constructif a eu lieu. Les préoccupations et observations exprimées ont été prises au sérieux.
Je considère essentiel de rester en contact étroit avec le terrain et d’être à l’écoute de la réalité à laquelle les organisations et les bénévoles sont confrontés au quotidien. En mars dernier, j’ai participé à une distribution de nourriture à Gand. Cela m’a permis d’être en contact direct avec la réalité concrète de l’aide alimentaire et du travail accompli en faveur des personnes en situation de précarité alimentaire. Je pense également disposer d’une bonne connaissance du terrain grâce à mon administration, qui visite au moins une centaine d’organisations par an. Par ailleurs, le SPP Intégration sociale organise des réunions avec le secteur, auxquelles mon cabinet participe.
Concernant votre deuxième question, nous sommes d’accord sur le fait que l’État, dans le cadre de ses compétences, doit prévoir un financement suffisant pour l’ensemble du secteur de l’aide alimentaire, et pas uniquement pour les banques alimentaires. Celles ‑ ci jouent un r ô le important, mais elles ne sont pas les seules à assurer cette mission.
François De Smet:
Madame la ministre, je ne doute pas que vous avez noué des contacts de terrain. Toutefois, je me permets d’insister sur l’importance de trouver le temps de vous rendre également dans une banque alimentaire ou un Resto du Cœur en Wallonie. En effet, même si je ne remets pas en cause les réalités observées à Gand, je pense qu’il serait également intéressant d’élargir cette expérience. Même si votre administration accomplit déjà un travail important, cela enrichirait encore votre vision générale. Dans les structures que j’ai pu visiter, notamment à Charleroi où je me suis rendu il y a peu, il existe une réelle préoccupation quant aux moyens disponibles pour poursuivre leur travail dans de bonnes conditions. Je vous remercie pour votre réponse.
-
Vraag: De steunmaatregelen via de OCMW's in het kader van de energiecrisis (Q56015788C)
Vraag: De stijgende energiearmoede (Q56017254C)
gezondheid en welzijnDe steunmaatregelen via de OCMW's in het kader van de energiecrisis
De stijgende energiearmoede
Energiecrisis, energiearmoede en OCMW-steunmaatregelen summaryExplanationGesteld door
PS Marie Meunier
Ecolo-Groen Jeroen Van Lysebettens
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Jeroen Van Lysebettens wijst op stijgende energieprijzen (CREG voorspelt +15% gas voor sociaal tarief) en bekritiseert dat bestaande steun (21M€ accijnsverlaging + 80M€ crisispakket) onvoldoende is om de stijging te dekken, vraagt om concrete berekeningen en pleit voor automatische toekenning van steun om non-take-up te verminderen. Minister Van Bossuyt benadrukt bestaande systemen (Soctar-database, OCMW-onderzoek) en wijst op regionale bevoegdheden (isolatiepremies), maar erkent non-take-up als structureel probleem; ze verwerpt extra werklast voor OCMW’s en hoopt op prijsdaling door geopolitieke stabilisatie. Van Lysebettens blijft kritisch: de steun dekt de stijging niet en automatisering is noodzakelijk.
Jeroen Van Lysebettens:
Mevrouw de minister, de energiefactuur blijft stijgen. Dat blijkt ook uit cijfers van de VNR. Steeds meer gezinnen kunnen hun energiefactuur dus niet meer betalen. De CREG berekende ondertussen dat de prijs van aardgas voor mensen met het sociaal tarief vanaf juli met 15 % zal stijgen. Het is gelukkig zomer en vrij warm, dus het verbruik van aardgas zal vandaag nog wel meevallen, maar als de gasprijzen blijven stijgen, zal de energiefactuur deze winter uiteraard nog duurder worden.
Ik heb u over het probleem van energiearmoede al schriftelijke vragen gesteld. U stelde toen dat de regering dit jaar 21 miljoen euro zou aanwenden om de accijnzen op elektriciteit extra te verlagen voor mensen met het sociaal tarief voor elektriciteit. U zou ook een onderzoek uitvoeren naar een budgettair neutrale hervorming van het sociaal energietarief en de tussenkomsten van het Sociaal Verwarmingsfonds, met het oog op een transparante forfaitaire tussenkomst gebaseerd op inkomen, vermogen en technologieneutraliteit.
Sinds de stijging van de energieprijzen heeft de regering bovendien een extra steunpakket van 80 miljoen euro aangekondigd, waarvan 15 miljoen euro voor sociale maatregelen om de energiekosten te helpen dragen.
Ik heb een aantal vragen over het onderzoek waarnaar u in uw antwoord op mijn schriftelijke vraag verwees. Wat is de stand van zaken daarvan? Hoe beoordeelt u de effectiviteit van de aangekondigde steunmaatregelen? Zullen de voorziene middelen de stijging volledig dekken? Zijn bijkomende maatregelen nodig? Hoe kan de steun er ook toe leiden dat mensen ertoe worden aangezet om structureel minder energie te verbruiken?
Ten slotte weten we dat er een zeer grote non-take-up is van de sociale ondersteuning via die energiefondsen. Hoe zult u dat probleem aanpakken en ervoor zorgen dat mensen de steun waarop zij recht hebben ook daadwerkelijk gebruiken?
Anneleen Van Bossuyt:
Mijnheer Van Lysebettens, daar uw vraag samengevoegd werd met die van mevrouw Meunier, heb ik een antwoord dat op de laatste twee zinnen na in het Frans is. Laten we zeggen dat het een goede oefening is voor ons beiden
Il convient d'examiner, d'une part, les aides à l'énergie dans un contexte normal et, d'autre part, les mesures de soutien dans une situation de crise telle que celle que nous avons connue ces derniers mois à la suite de la guerre contre l'Iran. Espérons que le cessez-le-feu conclu permettra de stabiliser les marchés et d'entraîner une nouvelle baisse des prix de l'énergie.
Dans un contexte normal, un des premiers mécanismes de soutien qui relève de la compétence de l'État fédéral est le tarif social gaz-électricité. Celui-ci est principalement automatisé, notamment par l'application de la base de données Soctar. En outre, comme le mentionne l'accord de gouvernement, le SPF Économie a commencé une réflexion sur celui-ci. Je vous renvoie à mon collègue Mathieu Bihet, ministre de l'Énergie, qui pourra mieux en parler.
En ce qui concerne le Fonds social mazout, il n'existe pas de liste d'utilisateurs de mazout de chauffage. Dès lors, la personne doit faire sa demande au CPAS avec sa facture. Le CPAS dispose de l'ensemble des flux pour pouvoir faire son enquête sociale et octroyer l'allocation. En conséquence, elle est partiellement automatique.
Pour les autres aides octroyées par le CPAS, elles sont basées sur un état de besoins et en fonction de la situation de vie de la personne. Le CPAS doit faire une enquête sociale. C'est la différence entre un système d'aides basé sur la situation réelle des besoins de la personne et un système de droits basés sur des conditions, comme le tarif social gaz-électricité ou le Fonds social mazout.
Les autres aides visant l'énergie sont octroyées par les régions. Pensez aux primes pour l'isolation, le chauffage performant, le vitrage, etc. Je vous renvoie vers elles sur ce sujet.
Wat de door de regering voorziene crisismaatregelen betreft, bekijk ik samen met mijn collega’s hoe die op de best mogelijke manier ingevoerd kunnen worden. Oplossingen die een bijkomende werklast voor de OCMW’s met zich brengen, zijn voor mij echter geen optie. We hebben het daarnet nog gehad over de hoge werklast die er al is voor de OCMW-medewerkers.
Wat de problematiek van de non-take-up betreft, moet worden vastgesteld dat die niet specifiek eigen is aan steunmaatregelen op het vlak van energie, maar een algemene moeilijkheid vormt binnen het stelsel van sociale prestaties.
Jeroen Van Lysebettens:
Dank u, mevrouw de minister.
Twee reflecties. Ik zou de vraag van mevrouw Meunier moeten herlezen, maar de energieprijzen waar ik het over heb, zijn door de CREG vastgesteld, het zijn niet de internationale marktprijzen die door de Straat van Hormuz beïnvloed worden. Ze zijn een afgeleide daarvan. Maar de CREG heeft wel degelijk een stijging van de gasprijzen vastgesteld.
De mensen die gebruikmaken van het sociaal tarief zullen hoe dan ook met een prijsstijging geconfronteerd worden. Ik denk niet dat u ingegaan bent op mijn vraag of de energiesteun die vandaag naar aanleiding van de crisis naar de sociale tarieven gaat die prijsstijging dekt? We weten hoeveel er vandaag uitgegeven wordt aan sociale steun door dat Sociaal Verwarmingsfonds. Ik meen dat het dus vrij eenvoudig is om te berekenen wat een prijsstijging van een bepaald percentage zou betekenen en of die stijging dan gedekt wordt door de budgettair ingeschreven energiesteun. Ik denk dat die niet zo afhankelijk is van de energieprijzen.
U zei op het einde ook dat de non-take-up groot is, en niet alleen hiervoor. Daar ben ik het helemaal mee eens. De oplossing is gelijkaardig. U hebt zelf al een richting gegeven in uw antwoord aan mevrouw Meunier, meen ik. Als we wel een systeem van automatische toekenning zouden hebben, zou de non-take-up natuurlijk veel lager zijn. Dan zou men op basis van een vooraf bepaald verbruik voor bepaalde inkomenssituaties van cliënten van het OCMW kunnen zeggen: deze mensen hebben recht op energiesteun en we zullen die automatisch toekennen. Dat zou de non-take-up mijns inziens flink verlagen.
Voorzitter:
Les questions jointes n os 56015790C et 56015794C ainsi que la question n° 56015793C de Mme Marie Meunier sont reportées ainsi que la question n° 56017289C de M. Patrick Prévot. Il en est de même pour les questions jointes n os 56016187C et 56016189C de Mme Ellen Samyn.
-
Vraag: Het federale toezicht op de OCMW's (Q56016400C)
gezondheid en welzijnHet federale toezicht op de OCMW's
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
François De Smet vraagt zich af of de controlemechanismen op CPAS voldoende robuust zijn, na het seponeren van het Anderlechtse dossier door het parket wegens gebrek aan bewijs, en pleit voor meer transparantie (bv. publicatie van toekenningsbeslissingen). Minister Anneleen Van Bossuyt benadrukt dat fraude systematisch wordt gemeld aan justitie en het SIRS, en kondigt versterkte controles aan (10 inspecteurs, extra budget 2027, wettelijke sancties), maar wijst publicatie van individuele beslissingen af omwille van privacy en praktische haalbaarheid. Ze verdedigt het vertrouwen in CPAS als cruciale sociale vangnetten, maar bekritiseert dat ze te vaak ingeschakeld worden voor taken van andere instanties (bv. voorschotten op werkloosheidsuitkeringen), wat ze wil corrigeren via betere afstemming met partners zoals ONEM en INAMI. De Smet sluit waarderend af, erkennend de essentiële rol van CPAS ondanks de Anderlechtse controverse.
François De Smet:
Le parquet a requis un non-lieu dans le dossier judiciaire visant le CPAS d'Anderlecht, faute de preuves , dans le cadre du contentieux qui a fait suite au rapport de la commission des Affaires Sociales de la Chambre, l’année écoulée.
Si la décision du parquet doit être respectée, ces affaires successives interrogent quant à la robustesse des mécanismes de contrôle et de transparence applicables aux CPAS, institutions fédéralement encadrées par la loi organique du 8 juillet 1976.
En conséquence, madame la ministre peut-elle me faire savoir: si le SPP Intégration sociale dispose aujourd'hui d'instruments de contrôle effectifs et renforcés sur les décisions individuelles prises par les CPAS? Si une réflexion est engagée, en concertation avec les fédérations de CPAS et les Régions, sur l'obligation de publicité et de traçabilité des décisions d'attribution liées à des institutions publiques en lien avec les CPAS? De manière plus générale, comment le gouvernement entend garantir la confiance des citoyens dans le fonctionnement des CPAS, alors même que ces institutions assument un rôle accru dans le cadre de la réforme du chômage?
Anneleen Van Bossuyt:
Monsieur De Smet, je tiens à rappeler que tout élément frauduleux détecté par le SPP Intégration sociale est systématiquement transmis aux autorités compétentes, qu’il s’agisse du parquet ou du Service d’information et de recherche sociale (SIRS).
Concernant le renforcement de la chaîne de contrôle interne, le SPP Intégration sociale, sous le pilotage du service d'Inspection, a lancé un programme d'action visant à renforcer la chaîne de contrôle au sein du SPP Intégration sociale.
Ce programme repose sur trois objectifs opérationnels étroitement liés aux objectifs stratégiques du SPP Intégration Sociale. Premièrement, développer des procédures de contrôle robustes et efficientes. Deuxièmement, accompagner les CPAS dans la mise en place de procédures efficientes, dans le respect du cadre légal et des droits des usagers. Troisièmement, soutenir les équipes de contrôle et les services d’Inspection dans l’exercice de leurs missions, notamment au moyen de parcours de formation, de dispositifs d’intervision et d’outils de contrôle performants.
Le projet est actuellement porté par 10 inspecteurs, trois contrôleurs et quatre auditeurs. La coordination des actions est réalisée par l'équipe de coordination du service Inspection. Le service travaille en étroite collaboration avec d'autres services internes du SPP Intégration sociale, comme le service ICT, le service Études, la cellule Subsides du service Budget et le service juridique.
Des contacts avec d'autres services d'inspection, comme l'ONEM, l'ONSS, le SPF Emploi ainsi que l'INAMI, sont également en cours de développement, afin de réaliser un benchmarking des différentes pratiques et, le cas échéant, de s’en inspirer, ainsi que d’échanger avec des organismes tiers tels que les médiateurs fédéral et régionaux, les autorités de tutelle régionales des CPAS ainsi que d’autres acteurs concernés.
Dans le budget 2027, je demande un renforcement structurel du service Inspection et je prévois de présenter à l'automne 2026 les modifications légales nécessaires pour donner plus de pouvoir de sanction au service de contrôle du SPP Intégration sociale.
Ces différentes actions permettront de renforcer et de développer des instruments de contrôle efficaces, qui seront mis en œuvre dans le cadre de l’inspection d’échantillons de dossiers individuels au sein des CPAS, conformément aux engagements de l’accord de gouvernement.
En ce qui concerne votre proposition relative à la publication des décisions, si votre question vise la publication des décisions prises dans les dossiers individuels d’aide sociale, je peux vous indiquer que cela n’est ni souhaitable ni légal. Ce n’est pas souhaitable car nous voulons maintenir un accès aisé à nos CPAS. Ce n’est pas légal non plus en raison d’évidentes considérations liées à la protection de la vie privée. En outre, l’anonymisation de telles décisions représenterait une charge de travail considérable pour les CPAS, qu’ils ne sont pas en mesure d’assumer à l’heure actuelle. Enfin, en ce qui concerne la confiance accordée aux CPAS, ceux-ci accomplissent un travail remarquable pour aider les personnes qui en ont besoin, dans un contexte particulièrement complexe.
Il me paraît fondamental d’éviter tout amalgame entre une situation spécifique, celle du CPAS d’Anderlecht, et le travail social réalisé par l’ensemble des CPAS du pays. Des facteurs externes, tels que les crises sociales successives et les modifications apportées au cœur même du système de sécurité sociale, ont un impact direct sur les CPAS. Ceux-ci constituent le dernier filet de sécurité pour de nombreuses personnes, mais apportent également un soutien financier temporaire pendant que d’autres organismes payeurs traitent les demandes d’allocations.
J’ai pris mes responsabilités afin de soutenir les CPAS dans la gestion de ces crises, plus spécifiquement pour les demandes accrues liées à la réforme du chômage. Des aides financières ont été octroyées à cette fin. Je suis en dialogue constant avec les acteurs de terrain afin de suivre l’impact de cette réforme, comme nous avons déjà eu l’occasion d’en débattre au début de cette commission. Je suis également en concertation étroite avec mes collègues afin que leurs administrations facilitent le traitement des demandes qui leur sont adressées, de sorte que ces dossiers n’aboutissent pas aux CPAS. Je pense notamment aux avances sur les allocations de chômage ou sur les indemnités de maladie.
Il est fondamental que les CPAS puissent se concentrer sur les publics relevant réellement de leurs compétences. Il n’est pas concevable que les CPAS, qui constituent le dernier filet de la protection sociale dans notre pays, deviennent la porte d’entrée permettant d’accéder aux droits sociaux. Cette dérive doit être corrigée par l’ensemble des acteurs afin que chacun puisse retrouver confiance dans notre système de protection sociale et que celui-ci réponde aux besoins de toutes les personnes qui en ont besoin, soit au travers des garanties auxquelles les citoyens contribuent, soit au travers du système de solidarité destiné à celles et ceux qui ne peuvent temporairement s’appuyer sur une allocation contributive et qui ont besoin d’un soutien pour participer pleinement à la société.
François De Smet:
Je remercie la ministre pour l'ensemble des précisions qu'elle apporte, et qui seront utiles à analyser. Merci d'avoir rappelé le rôle phare de soutien des CPAS malgré la polémique que nous avons vue à Anderlecht.
-
Vraag: De integratie van een begeleidingstraject voor verslaafden in het GPMI (Q56016833C)
Vraag: De risico's van een verplichte begeleiding voor verslaafden als voorwaarde voor een leefloon (Q56017313C)
economie en werkDe integratie van een begeleidingstraject voor verslaafden in het GPMI
De risico's van een verplichte begeleiding voor verslaafden als voorwaarde voor een leefloon
Verplichte en geïntegreerde begeleidingstrajecten voor verslaafden binnen sociaal en medisch beleid summaryExplanationGesteld door
Les Engagés Anne Pirson
Ecolo-Groen Sarah Schlitz
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Minister Van Bossuyt verdedigt een hervorming die verslavingszorg koppelt aan het recht op integratie-inkomen: bij vermoedens (door CPAS) en medische bevestiging volgt een verplicht, maar individueel afgestemd begeleidingstraject, met nadruk op "geen sanctie, wel ondersteuning"—hoewel Schlitz dit kritiseert als een verkapte sanctielogica die kwetsbaren verder in armoede duwt. Pirson deelt de zorg over de haalbaarheid (overbelaste CPAS), terwijl Schlitz bewerkt dat de maatregel discriminerend is (gericht op armen, niet op vermogenden) en vraagt of 1 op 3 RIS-ontvangers (met verslavingsproblemen) riskeert uitgesloten te worden. De minister benadrukt terugvalpreventie en flexibiliteit (bv. wachtlijsten tellen niet als "weigering"), maar concrete criteria voor "samenwerkingsweigering" blijven onduidelijk.
Anne Pirson:
Madame la ministre, le Conseil des ministres a récemment approuvé, sur votre proposition, une réforme visant à renforcer l’accompagnement des bénéficiaires du revenu d’intégration confrontés à des problèmes d’assuétude.
Selon les informations communiquées, lorsqu’une dépendance est suspectée par un CPAS et confirmée par un médecin, un trajet individualisé d’accompagnement serait intégré au projet individualisé d’intégration sociale et deviendrait donc une condition du maintien du revenu d’intégration.
Les problématiques visées concerneraient notamment les dépendances à l’alcool, aux drogues ou aux jeux, ainsi que, dans certains cas, les situations de surendettement nécessitant un accompagnement spécifique.
Les assuétudes constituent à la fois une cause et une conséquence de l’exclusion sociale. Elles peuvent compromettre durablement l’insertion professionnelle, fragiliser les liens familiaux, aggraver les difficultés financières et éloigner les personnes concernées des dispositifs classiques d’accompagnement.
Dans ce contexte, il apparaît légitime de s’interroger sur les moyens de mieux soutenir ces personnes afin de leur permettre de retrouver progressivement leur autonomie.
Cette réforme soulève toutefois plusieurs questions pratiques importantes, notamment quant à l’identification des situations d’assuétude, aux rôles respectifs des CPAS et des professionnels de la santé, à la disponibilité effective des structures de soins et à la manière dont sera apprécié l’engagement de la personne dans son parcours d’accompagnement.
Dès lors, madame la ministre, pouvez-vous préciser les modalités concrètes de cette réforme, en particulier les critères qui permettront aux CPAS d’orienter quelqu'un vers un examen médical? Quelles sont les garanties prévues afin que cette démarche reste avant tout un outil d’accompagnement et de réinsertion sociale? Comment cette réforme s’articulera-t-elle avec l’offre existante de soins en matière d’assuétudes?
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, vous prévoyez de conditionner l’octroi du revenu d’intégration sociale (RIS) à un traitement contre les assuétudes. Ainsi, si un CPAS suspecte une addiction chez un allocataire social ou chez une personne sollicitant le RIS, il devra l’orienter vers un médecin pour un examen médical. Celui-ci devra alors confirmer ou non l’existence d’une assuétude, et un traitement individualisé pourra être proposé. Vous estimez que cette condition ne constitue pas une punition - c’est ce que nous avons pu lire dans la presse -, mais elle suscite de grandes inquiétudes quant à ses conséquences. En effet, il est difficile de comprendre en quoi une personne en situation d’assuétude irait mieux si elle venait à perdre ses revenus. Cette mesure soulève également la question du rôle des assistants sociaux, qui sont censés être des personnes ressources de confiance pour leurs bénéficiaires. Leur mission est d’aider et de soutenir, et non de contrôler et de sanctionner.
Madame la ministre, sur la base de quelles études avez-vous proposé cette mesure? Sur quels éléments vous fondez-vous pour considérer qu’elle permettra d’atteindre les objectifs poursuivis? Pouvez-vous nous préciser concrètement les modalités d'application de cette mesure? Avez-vous sollicité l’avis de la Fédération des CPAS et des communes quant à son application et à la manière dont elles ont perçu cette information? Les assistants sociaux seront-ils tenus de signaler un soupçon d’addiction? Le cas échéant, sur quels critères une telle suspicion pourra-t-elle reposer? Enfin, comment justifiez-vous votre volonté de supprimer des allocations pour des personnes déjà particulièrement fragilisées et vulnérables?
Voorzitter:
C’est un sujet intéressant et sensible. Madame la ministre, nous vous écoutons.
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Pirson, madame Schlitz, la réforme vise à mieux accompagner vers l'intégration sociale les personnes confrontées à une problématique d'assuétude. Une dépendance peut en effet constituer un obstacle important à l'accès à l'emploi, à l'autonomie, à la stabilité financière et, plus largement, à l'insertion dans la société.
Cette mesure découle de constats de terrain relayés par de nombreux CPAS. Pour illustrer la réalité de terrain, lors d'une visite de travail au CPAS de Namur, celui-ci a indiqué qu'un bénéficiaire du revenu d'intégration sur trois est confronté à une problématique d'assuétude. Nous savons que les assuétudes constituent l'un des facteurs qui entravent une réintégration efficace dans la société.
Il importe de souligner que ce n'est pas le CPAS qui pose un diagnostic médical. Lorsqu'un travailleur social constate des éléments pouvant laisser supposer une problématique d'assuétude, le CPAS peut demander à l'intéressé de se soumettre à un examen médical auprès d'un médecin. Il appartient ensuite au médecin de déterminer s'il existe effectivement une dépendance. Les frais médicaux ainsi que les frais de déplacement sont pris en charge par le CPAS.
Si cette dépendance est confirmée et que le médecin recommande un traitement spécifique, celui-ci devra être intégré dans le projet individualisé d'intégration sociale (PIIS). Il est alors toujours tenu compte de la situation individuelle de la personne concernée. Il ne s'agit pas d'une obligation d'atteindre un résultat déterminé, mais bien d'une obligation de collaborer à un parcours d'accompagnement visant à renforcer l'autonomie et à accroitre les chances d'intégration sociale.
Comme je l'ai déjà indiqué, le cœur de cette réforme est l'accompagnement, non la sanction. La dépendance est reconnue comme un problème de santé nécessitant un accompagnement soutenu. Le PIIS constitue à cet égard un outil d'accompagnement. Notre objectif n'est pas d'abandonner à leur sort les personnes confrontées à une problématique d'assuétude, mais de les soutenir afin qu'elles puissent retrouver des perspectives d'avenir.
Lorsqu'un traitement ou un accompagnement ne peut pas débuter immédiatement, par exemple en raison de listes d’attente, cette situation ne peut évidemment pas être reprochée à la personne concernée. Dans de tels cas, le CPAS examinera avec elle quelles étapes intermédiaires peuvent être envisagées dans l'intervalle.
Anne Pirson:
Madame la ministre, je pense que nous partageons le même constat. Les assuétudes constituent un obstacle pour réintégrer un parcours professionnel. Sur le plan de l'insertion, c'est vraiment un souci. Lorsqu'une personne y est confrontée, il est difficile d'agir efficacement sur les autres dimensions de son parcours d'intégration tant que cette problématique-là n'est pas prise en charge. Nous comprenons bien l'intention, mais il faudra aussi tenir compte, je pense, de l'avis de la Fédération des CPAS, dont le personnel est notoirement déjà sous pression, aussi bien humainement que financièrement. Ce sera une donnée à ne pas négliger dans cette réforme. Je vous remercie.
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, merci de votre réponse. Vous répondez à mes questions entre les lignes, mais l'idée est quand même bien, en cas de collaboration insuffisante, de supprimer le revenu aux personnes qui ne seraient pas suffisamment coopératives, de facto . Il s'agit quand même d'une logique de sanction. Je vous ai posé la question très clairement, vous n'y avez pas répondu, mais merci pour les éclaircissements.
Voorzitter:
Attendez, madame, c'était hors micro. Avez-vous dit quelque chose, madame la ministre? Tout cela figure-t-il ou non dans le compte rendu?
Anneleen Van Bossuyt:
Je cherche ce que j'ai dit la première fois… "Comme je l'ai déjà indiqué, le cœur de cette réforme est l'accompagnement, non la sanction". Donc, je pense que c'est très clair, Mme Schlitz.
Voorzitter:
Ce n'est pas pour vous ennuyer, Mme Schlitz, c'est simplement pour que les éléments soient repris dans le compte rendu rapport. Désolé.
Sarah Schlitz:
Oui, mais c'est encore plus clair s'il est bien indiqué dans le compte rendu qu'une fois qu'une personne n'a pas suffisamment collaboré, sans même savoir à partir de quels critères clairs et objectifs ce sera déterminé, elle perdra son revenu. Je ne sais pas si quelqu'un s'en sortira mieux dans la vie et sera moins un poids pour la société une fois qu'il n'aura plus rien. C'est une logique dans laquelle je ne peux pas m'inscrire. Je ne comprends pas ce qu'on gagne collectivement à avoir une personne qui s'appauvrit au point de ne plus pouvoir, par exemple, payer son loyer. Il est évident qu'on va la pousser dans des tréfonds. Plutôt que de lui tendre une main, de créer des incitants, on suit une logique de sanctions et de sanctions financières appliquée des profils qui sont déjà extrêmement fragilisés.
Par conséquent, je comprends l'inquiétude des professionnels de terrain qui, par ailleurs, sont déjà fortement sous pression en raison des conséquences de la réforme du chômage: des assistants sociaux qui manquent à l'appel, du personnel qui est débordé, etc. Par ailleurs, on leur assigne des missions qui ne font pas partie de leur cœur de métier, c'est-à-dire de détecter une addiction et de commander un suivi médical.
Je pense qu’ici, nous mélangeons les rôles. Je constate que ce sont toujours les profils les plus fragiles qui font l’objet de politiques aussi intrusives, tandis qu'on ne se le permet pas dans le cas des personnes les plus aisées, notamment en ce qui concerne la mise en place d’un véritable cadastre des grandes fortunes et la globalisation des revenus. Nous y consacrons beaucoup moins d’énergie, alors que cela pourrait pourtant rapporter bien davantage.
Un élément m’a toutefois interpellée: vous indiquez qu’une personne sur trois est en situation de dépendance dans le public des CPAS. L’objectif serait-il alors d’exclure une personne sur trois du revenu d’intégration sociale? Soit on réalise des économies soit on réalise des économies. Ce chiffre m’inquiète et fera l’objet de nouvelles questions de notre part. Je pense qu’il est essentiel de recueillir l’avis de la fédération ainsi que des travailleurs concernés, qui devront appliquer cette mesure.
Voorzitter:
Madame la ministre, ce projet va de toute façon être débattu au Parlement? Nous allons bientôt terminer nos échanges.
-
Vraag: De impact van de werkloosheidshervorming op de vraag naar voedselhulp (Q56016998C)
Vraag: Het stijgende aantal klanten en de krimpende middelen van de voedselbanken (Q56017314C)
economie en werkDe impact van de werkloosheidshervorming op de vraag naar voedselhulp
Het stijgende aantal klanten en de krimpende middelen van de voedselbanken
De uitdagingen van voedselbanken door hervormingen en toenemende vraag summaryExplanationGesteld door
PS Sophie Thémont
Ecolo-Groen Sarah Schlitz
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Sarah Schlitz wijst op een viervoudige stijging van voedselhulpafhankelijken in 30 jaar (561.708 personen) en budgetkortingen (van €27M naar €15,5M in 2026), terwijl minister Van Bossuyt erkent dat de vraag toeneemt maar geen extra federale middelen belooft, verwijzend naar de bevoegdheid van de gemeenschappen en een 10%-cofinancieringsplicht die volgens haar wordt nagekomen. Schlitz bekritiseert dat de federale bezuinigingen (bv. werkloosheidshervorming) de crisis verergeren en ontkenning van verantwoordelijkheid door de minister, die de last volgens haar doorschuift naar verarmde entiteiten en burgers; Van Bossuyt benadrukt samenwerking met terreinactoren maar houdt vast aan het budgettaire kader.
Sarah Schlitz:
Madame la ministre, une étude inédite de la Fédération des Services Sociaux, publiée fin mai, est accablante: en 30 ans, le nombre de bénéficiaires de l'aide alimentaire a quadruplé. La population belge, elle, n'a augmenté que de 16% sur la même période. Ainsi, aujourd’hui 561 708 personnes recourent à l'aide alimentaire en Belgique. Ces chiffres révèlent une fracture sociale qui s'élargit à grande vitesse Et alors que les besoins ne font qu'augmenter, les moyens financiers, eux, s'effondrent. Le budget fédéral pour l'aide alimentaire est passé de 27 millions d'euros en 2025 à 15,5 millions en 2026. Et le Gouvernement a réduit la déductibilité des dons aux associations. À côté de ça, les dons se réduisent notamment à cause de la concurrence des applications comme ToGoodToGo.
Vous avez déclaré dans la presse qu'il n’est " bien sûr pas question que les banques alimentaires se retrouvent en difficultés financières." Mais la réalité est là: par exemple, la Croix-Rouge n’a pas d’autres choix que de réduire ses paniers: 8 repas au lieu de 10.
Madame la ministre, suite aux constats de cette étude, envisagez-vous d’augmenter les moyens alloués à l’aide alimentaire?
Avez-vous rencontré les associations du secteur? Quelles mesures concrètes comptez-vous prendre pour garantir que les banques alimentaires puissent faire face à cette augmentation de demandes? Travaillez-vous en concertation avec votre collègue, le ministre de la lutte contre la pauvreté, et les ministres compétents d'autres niveaux de pouvoir? Quels contacts entretenez-vous avec les ministres des entités fédérées sur cette question?
Merci.
Anneleen Van Bossuyt:
Madame Schlitz, mon administration ne dispose pas encore d’une évaluation à ce sujet. Il est trop tôt pour cela. Je n’ai pas pris contact spécifiquement sur cette thématique, mais nous sommes en contact étroit avec les organisations de terrain et leurs coupoles. Mon administration organise des concertations quatre fois par an.
Le principal constat qui est ressorti de la dernière concertation est effectivement une augmentation du nombre de bénéficiaires qui se présentent pour recevoir des colis alimentaires. Comme je l’ai déjà indiqué dans ma réponse à la question de M. De Smet, il n’y a pas une demi-heure, je reconnais l’importance de l’aide alimentaire. J’ai d’ailleurs effectué une visite de travail auprès de la Banque alimentaire et participé ensuite à une concertation constructive. Je prends au sérieux les préoccupations et les constats qui ont été exprimés et je continuerai à maintenir un contact étroit avec les acteurs de terrain.
Nous sommes d’accord sur le fait que les pouvoirs publics doivent, chacun dans le cadre de leurs compétences, garantir un financement suffisant de l’ensemble du secteur de l’aide alimentaire, et pas uniquement des banques alimentaires. Celles-ci jouent un rôle important, mais elles ne sont pas les seules à assumer cette mission sociétale. Dans le même temps, j’ai déjà indiqué clairement que, dans le contexte actuel, il n’est pas soutenable que l’autorité fédérale continue à assurer structurellement des financements supplémentaires pour une compétence qui relève avant tout des communautés. C’est pourquoi mon cabinet a déjà entamé des concertations avec les gouvernements des entités fédérées concernant leurs responsabilités en la matière.
Comme je l’ai déjà rappelé, l’autorité fédérale est tenue de prévoir un cofinancement de 10 %. En 2021, le précédent gouvernement fédéral a décidé d’augmenter sensiblement cette contribution fédérale. Malgré le contexte budgétaire difficile, nous maintenons intégralement cet effort renforcé.
Sarah Schlitz:
Merci pour votre réponse. En effet, ma question aurait dû être jointe à celle de M. De Smet, mais cela ne relève pas de ma responsabilité. Je pense qu’il serait vraiment utile que les questions soient regroupées en amont de manière cohérente. Cela nous ferait gagner du temps. Par ailleurs, l’augmentation du recours à l’aide alimentaire par un nombre croissant de bénéficiaires est une conséquence directe des mesures mises en place par ce gouvernement. Des personnes sont exclues de l’assurance chômage, ne parviennent pas à retrouver un emploi et ne sont pas recevables au CPAS pour diverses raisons. Elles se retrouvent alors dans une spirale extrêmement difficile. Par exemple, lorsqu'une personne est propriétaire, ses revenus diminuent fortement. Cette perte de revenus ne lui permet plus de faire face à l’ensemble de ses besoins et l’amène à se tourner vers le CPAS. Je pense donc qu’aujourd’hui, le fédéral a réalisé d’importantes économies grâce à ses réformes, notamment la réforme du chômage. Il doit dès lors en assumer les conséquences et ne pas renvoyer la patate chaude aux entités fédérées, déjà financièrement exsangues. Actuellement, celles-ci font payer aux citoyens et citoyennes, toutes couches confondues, les conséquences de ces réformes à travers une augmentation généralisée du coût des services publics ainsi qu’une hausse généralisée de la fiscalité, y compris au niveau communal. Vous ne pouvez pas continuer à vous dédouaner de vos responsabilités alors que cette problématique est la conséquence directe d’une réforme qui a permis au niveau fédéral de réaliser des économies considérables.
-
Vraag: Het advies van de Inspectie van Financiën over het federale plan tegen dak- en thuisloosheid (Q56016694C)
economie en werkHet advies van de Inspectie van Financiën over het federale plan tegen dak- en thuisloosheid
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
François De Smet vraagt naar het vermeend "verwoestend oordeel" van de Inspectie der Financiën over het federale plan voor daklozen, met name over de budgettaire, juridische of effectiviteitszwaktes, en of het plan ondanks dit advies wordt gehandhaafd. Minister Anneleen Van Bossuyt bevestigt dat de Inspectie het plan afkeurde om competentiële redenen (federale inmenging in regionale bevoegdheden), waarna zij besliste de subsidies voor extra opvangplaatsen per 2025 stop te zetten en de verantwoordelijkheid bij de gewesten te leggen, met een laatste familiewinteropvang in 2023. Zij benadrukt dat directe hulp aan daklozen uitsluitend een gewestelijke competentie is, terwijl de federale rol beperkt blijft tot interfederale coördinatie. De Voorzitter noemt terloops dat De Smet uitzonderlijk beleefd is tegenover Van Bossuyt, wat deze beaamt.
François De Smet:
Madame la ministre, selon les informations parues dans la presse, l’Inspection des finances aurait rendu un avis particulièrement sévère, qualifié même de dévastateur, à l’égard du plan fédéral visant les personnes sans abri dormant dans la rue. Un tel avis, lorsqu’il émane de l’Inspection des finances, ne peut évidemment être ignoré. La lutte contre le sans-abrisme relève certes d’une responsabilité partagée, mais le niveau fédéral y contribue directement à travers les politiques d’intégration sociale et des grandes villes. Il importe dès lors de savoir si les critiques portent sur la solidité budgétaire du dispositif, sur sa base juridique ou encore sur son efficacité attendue, ainsi que les conséquences qui en sont tirées.
Madame la ministre, quels sont les motifs précis justifiant l’avis défavorable de l’Inspection des finances? Entendez-vous maintenir ce plan en l’état et, dans l’affirmative, sur quels éléments vous fondez-vous pour passer outre cet avis? Enfin, quelles garanties concrètes pouvez-vous apporter quant à l’accompagnement et à la protection effective des personnes concernées, indépendamment de l’issue de ce débat budgétaire?
Anneleen Van Bossuyt:
Monsieur De Smet, je ne suis pas informée d’une récente publication dans la presse faisant état d’un avis particulièrement sévère de l’Inspection des finances. Toutefois, un avis de l’Inspection des finances a bien été sollicité concernant l’opportunité d’octroyer des subventions visant à ouvrir des places d’accueil supplémentaires pour les personnes sans abri dans les grandes villes – à savoir Anvers, Gand, Bruxelles, Charleroi et Liège – ainsi que pour la création d’un centre d’accueil destiné principalement aux familles en Région de Bruxelles-Capitale. Dans les deux cas, l’Inspection des finances a émis des avis défavorables, dès mon entrée au gouvernement, voire avant celle-ci. Pour l’essentiel, ces avis reposent sur une analyse de la répartition des compétences entre l’État fédéral et les entités fédérées. Selon l’Inspection des finances, le fait que l’État fédéral finance et organise des dispositifs d’aide aux personnes – en l’occurrence les personnes sans abri – usurpait les prérogatives des régions et des communautés. Selon l'Inspection des finances, plusieurs avis du Conseil d’État permettent d'étayer cette analyse.
Sur cette base, étant sensible à l'avis de l'Inspection des finances, j'ai décidé d’annuler, dès 2025, les subventions visant la création de places d’accueil supplémentaires dans les grandes villes; d’organiser une dernière fois un centre d’accueil pour familles l'hiver dernier, sous gestion journalière de la Croix-Rouge et d’interpeller les entités fédérées sur leurs responsabilités en matière de lutte contre le sans-abrisme, dans le cadre de la conférence interministérielle Politique des Grandes Villes, Intégration sociale et Lutte contre la pauvreté.
Sur votre troisième question, je souhaite préciser que l’accueil et l’accompagnement des personnes sans abri n’est pas une compétence partagée, mais bien une compétence relevant des entités fédérées. Le niveau fédéral peut uniquement apporter sa contribution en améliorant la coordination interfédérale, mais les aides de première ligne, à bas seuil d’accès, dépendent des entités fédérées.
François De Smet:
Madame la ministre, je vous remercie pour votre réponse.
Voorzitter:
Je trouve que vous êtes toujours très courtois avec Mme Van Bossuyt.
Anneleen Van Bossuyt:
(…)
François De Smet:
Je le suis avec tout le gouvernement, au-delà des divergences.
Voorzitter:
Cela dépend, vous savez. Parfois, il est un peu dur et un peu piquant quand même; mais avec vous, madame la ministre, il est toujours très sympathique.
-
Vraag: Het communiqué van de VVSG over de OCMW's (Q56017231C)
gezondheid en welzijnHet communiqué van de VVSG over de OCMW's
Gesteld door
Beantwoord door
N-VA Anneleen Van Bossuyt (Minister van Asiel en Migratie, en Maatschappelijke Integratie)
op 23 juni 2026
Bekijk antwoord
Samenvatting summaryExplanation
Minister Van Bossuyt bevestigt de bezorgenissen van VVSG over administratieve lasten bij OCMW’s en belooft gefaseerde hervormingen, maar concrete maatregelen (zoals een crisissysteem of negen maanden termijn voor GPMI) ontbreken nog. Ze erkent vertraging bij het centraal register sociale voordelen (in ontwerpfase) en de voorschotproblematiek (afhankelijk van andere ministers), waar Lanjri kritiek op heeft wegens jarenlang uitblijven van oplossingen. Over huisbezoeken stelt Van Bossuyt soepelheid voor (uitstel tot 1 maand na toekenning in 2026), maar wijst volledige vrijheid af om ongelijkheid te voorkomen. Lanjri dringt aan op snelle actie (vóór de zomer), volledige compensatie voor late OCMW-aanmelders en evaluatie van de 15%-verhoging, die volgens haar onvoldoende is voor de praktijk.
Nahima Lanjri:
Mevrouw de minister, aangezien u onder tijdsdruk staat, verwijs ik naar de schriftelijke voorbereiding van mijn vraag, zodat ik straks nog kan repliceren.
Mevrouw de minister,
Begin mei was er een communiqué vanuit VVSG en haar zusterverenigingen Brulocalis en UVCW met de vraag naar nieuwe tijdelijke ondersteuningsmaatregelen. De VVSG vraagt ook om de komende zes maanden geen nieuwe grote hervormingen of bijkomende verplichtingen voor OCMW's uit te rollen. Verder willen ze dat OCMW's tijdelijk zelf kunnen beslissen of een huisbezoek nodig is in het sociaal onderzoek, zonder bijkomende verantwoordingslast. De VVSG vraagt ook een gezamenlijk monitoringsysteem met de federale overheid en de OCMW's. Dat moet correct en transparant tonen welke extra lasten verschuiven naar OCMW's en lokale besturen.
Daarom mijn vragen:
1. Hoe evalueert u de voorstellen van VVSG?
2. Wat is de stand van zaken m.b.t. de wetgevende initiatieven die u genomen heeft om de volledige integratie OCMW-gemeente te realiseren?
3. Wat is de stand van zaken m.b.t. het centraal register van sociale voordelen dat u wilde uitwerken (Knack, 26/12/2025)?
4. Wat is de stand van zaken van de aangekondigd regeling rond de voorschotproblematiek?
5. Acht u het opportuun om OCMW's zelf laten beslissen over een huisbezoek? Persoonlijk heb ik begrip voor de arbeidsintensiviteit van dergelijke huisbezoeken, maar werkdruk mag er niet voor zorgen dat het sociaal onderzoek niet naar behoren uitgevoerd wordt. Zijn er eventueel andere alternatieven mogelijk, zoals een meer coulante termijn om het huisbezoek uit te voeren?
Anneleen Van Bossuyt:
Mevrouw Lanjri, wat uw eerste vraag betreft, ik heb kennisgenomen van het door de VVSG, Brulocalis en de UVCW gepubliceerde communiqué. Die drie verenigingen vertegenwoordigen actoren in het veld, die bij de uitvoering van het federale en regionale sociale beleid in de frontlinie staan. Ik luister naar hun signalen en neem hun bezorgdheden ernstig.
Ik deel hun bezorgdheid over de toenemende administratieve lasten voor de OCMW's. Ik heb hen dan ook meegedeeld dat we de hervormingen gespreid zullen invoeren. Ik heb dat daarnet in het kader van het actuadebat ook al meegegeven. Op die manier krijgen de OCMW's de nodige tijd om de reeds ingevoerde hervormingen te consolideren binnen een stabiel regelgevend kader, terwijl we tegelijk blijven werken aan de verdere verbetering van het systeem.
Op uw tweede vraag, er wordt momenteel met de premier samengewerkt, vanwege het institutionele karakter van de oefening. Het gaat voorlopig nog om analyses om te komen tot een duidelijk juridisch kader dat het lokale bestuur vereenvoudigt en dat tegelijkertijd de specifieke sociale opdracht van maatschappelijke integratie en dienstverlening in stand houdt.
Op uw derde vraag, het project voor een centraal register van sociale uitkeringen bevindt zich in de ontwerpfase. De premier trekt dat project. Er zijn gesprekken gaande met de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en de verschillende betrokken partijen om de architectuur van het systeem, de te integreren gegevens en de toegangsvoorwaarden vast te leggen. Samen met mijn collega's die verantwoordelijk zijn voor dat dossier hoop ik na het parlementaire reces daarop te kunnen terugkomen.
Op uw vierde vraag, er wordt bijzondere aandacht besteed aan de kwestie van de door de OCMW's toegekende voorschotten. Er wordt gewerkt aan het verbeteren van de termijnen en de terugbetalingsmechanismen om zo de OCMW's te ontlasten. Er worden vergaderingen georganiseerd met elke sector van de sociale zekerheid om ad-hocoplossingen te vinden. Zoals u weet, heb ik een werkgroep administratieve vereenvoudiging opgericht, waarbij de aanpak van de voorschottenproblematiek een van de prioritaire werven vormt. Ik hecht veel belang aan dat dossier en mijn kabinet volgt het dan ook van nabij op.
Tegelijk stel ik vast dat een groot deel van de mogelijke oplossingen betrekking heeft op regelgeving die onder de bevoegdheden van mijn collega-ministers, bevoegd voor Werk en Sociale Zaken, valt. Om die reden is een nauwe afstemming tussen de betrokken beleidsdomeinen essentieel. Die samenwerking loopt en ik blijf erop aandringen dat we gezamenlijk de nodige stappen zetten om voor de OCMW's tot concrete vereenvoudigingen te komen.
Op uw vijfde vraag, het is een gevoelige kwestie die door de VVSG aan de orde is gesteld. Ik deel gedeeltelijk uw bedenkingen, mevrouw Lanjri. Het huisbezoek is een fundamenteel onderdeel van het sociaal onderzoek. Het maakt een concrete en menselijke beoordeling van de situatie van de aanvrager mogelijk. Het kan dus niet zomaar en systematisch worden afgeschaft vanwege de werkdruk.
Dat gezegd zijnde begrijp ik ook de realiteit in het veld. In plaats van de OCMW's volledige en onvoorwaardelijke vrijheid te geven, wat zou kunnen leiden tot een ongelijke behandeling tussen gemeenten, ben ik van mening dat een meer genuanceerde aanpak het overwegen waard is.
In dat kader heb ik ook aan mijn administratie, de POD Maatschappelijke Integratie, gevraagd om enige soepelheid te hanteren in het kader van de dossiers naar aanleiding van de hervorming van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. Als het huisbezoek materieel niet kon worden georganiseerd vóór de eerste toekenning van het leefloon, om de termijn van dertig dagen voor het nemen van een beslissing te respecteren, dient het bezoek binnen één maand na de toekenning plaats te vinden.
Die soepelheid zal voor het hele jaar 2026 worden aanvaard. Ik heb morgen een overleg met de OCMW-federaties, waaronder de VVSG, en dit thema zal zeker aan bod komen. Ik sta open voor elke suggestie.
Nahima Lanjri:
Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord. Ik ben blij dat we op een aantal punten dezelfde mening delen, onder meer wat de huisbezoeken betreft. Ik heb die vraag ook al langer geleden ingediend, maar ik stel vast dat u nu bereid bent eventueel wat soepelheid aan de dag te leggen. Ik denk dat dat van belang is, zodat OCMW's toch ook al steun kunnen geven waar ze denken dat die nodig is. Nu ziet men soms het omgekeerde gebeuren, namelijk OCMW’s die geen steun toekennen, waardoor mensen echt in de miserie geraken. Met betrekking tot de voorschottenproblematiek wil ik u toch zeggen dat ik die zaak hier voor het eerst anderhalf jaar geleden heb aangekaart en ik stel vast dat ze nog altijd niet opgelost is. Ik heb u als bevoegd minister voor de OCMW's aangesproken, omdat de OCMW's vooral de gevolgen dragen, maar het zijn inderdaad ook twee andere bevoegde ministers, namelijk voor de werkloosheidsuitkeringen en de ziekte-uitkeringen, minister Vandenbroucke en minister Clarinval, die mee over de brug moeten komen. Ik stel vast dat het heel lang duurt. De VVSG vraagt nu een tijdelijk crisissysteem en dat zie ik nog niet. U vertelt dat er nog in werkgroepen wordt gewerkt. Ik wil echt dat er een oplossing komt, dus ik ga dit niet loslaten. Ik hoop dat u vóór de zomer met een oplossing komt en dat het niet langer duurt. Ik wil ook wijzen op de andere voorstellen die de VVSG heeft gedaan. Zo zegt zij onder meer dat zij voor het opstellen van het GPMI graag meer tijd zou krijgen, negen maanden in plaats van de huidige drie maanden. Daar hebt u niets over gezegd. Ik hoop dus dat ook daarnaar kan worden geluisterd. Misschien komt dat morgen ook opnieuw aan bod. Tot slot, de OCMW's vragen een volledigere compensatie, dezelfde compensatie voor de mensen die vanaf 1 juli uitstromen uit de werkloosheid en bij het OCMW terechtkomen. Ik begrijp de insteek van de regering dat voor de groep die later uitstroomt die tegemoetkoming met 15 % wordt verhoogd. Die bedraagt evenwel niet de volledige 100 % die geldt voor degenen die in de eerste helft van het jaar uitstromen. Toch wil ik erop wijzen dat we een oplossing zouden moeten voorzien voor mensen die in de eerste helft van het jaar uit de werkloosheid zijn gestroomd, maar die vanwege tal van redenen niet tijdig bij het OCMW zijn gaan aankloppen. Als zij ook niet op die 100 % kunnen rekenen, is dat voor de OCMW's bijzonder zwaar. Laten we de situatie dus evalueren, laten we bekijken wat de cijfers aangeven en, als het nodig blijkt en er vraag naar is, de maatregel eventueel bijsturen. Ik hoor alvast bij een aantal OCMW's de vraag naar bijsturing. Niet iedereen stapt immers onmiddellijk naar het OCMW. Sommige mensen gebruiken bijvoorbeeld eerst hun spaargeld op en stappen pas daarna naar het OCMW. Tegen dan zijn ze echter grandioos te laat. Het OCMW zal dan geen volledige terugbetaling, maar slechts een gedeeltelijke terugbetaling krijgen. Dat zijn verhalen die we vandaag horen. Dat zijn ook de feiten waarmee men vandaag in de praktijk wordt geconfronteerd. Dank u wel, mevrouw de minister, voor uw antwoord en voor de opvolging. De openbare commissievergadering wordt gesloten om 15.54 uur. La réunion publique de commission est levée à 15 h 54.